Hoofdstuk 6Gebieden

Foto bovenkant pagina: Lage waterstanden in rivier de Rijn, Spijk, juni 2022

In zeven afzonderlijke gebieden werken de partners in het Deltaprogramma aan de implementatie van de voorkeursstrategie voor de drie opgaven van het Deltaprogramma: waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie. Dit hoofdstuk beschrijft de voortgang.

6.1 Inleiding

De versnelde klimaatverandering maakt de uitdagingen voor de gebieden alleen maar groter. Om de gestelde doelen in 2050 te kunnen halen, moeten alle zeilen bijgezet. Hoe de verschillende overheden dat doen, en wat dit aan inzichten oplevert, staat in de hiernavolgende paragrafen. Figuur 12 toont in vogelvlucht de belangrijkste inzichten voor de afzonderlijke gebieden.

Belangrijkste opgaven gebieden Deltaprogramma in vogelvlucht
Figuur 12 Belangrijkste opgaven gebieden Deltaprogramma in vogelvlucht (tekstuele beschrijving)

Al is het Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaalgebied, ook wel aangeduid als Centraal Holland, in formele zin geen deelgebied van het Deltaprogramma, de verbinding van deze kwetsbare maar belangrijke regio met het Deltaprogramma is van groot belang en wordt daarom hier ook beschreven. In het gebied spelen opgaven voor waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid en ruimtelijke adaptatie.

Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaalgebied

Het gebied Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaal (ARK/NZK) is een belangrijke economische regio in Nederland. Het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal vormen samen het afvoersysteem voor een groot deel van Noord-Holland, Utrecht, delen van Zuid-Holland en Flevoland, en zijn cruciaal voor het waterbeheer en vele functies in de regio (zoals natuur, landbouw, drinkwater, scheepvaart en industrie). Het wel of niet goed functioneren van het watersysteem in het ARK/NZK-gebied kan grote maatschappelijke en economische gevolgen hebben. Denk aan wateroverlast die kan ontstaan in landelijk en stedelijk gebied indien het wateroverschot niet goed kan worden afgevoerd, de maatschappelijke ontwrichting die kan optreden als vitale functies uitvallen door wateroverlast of overstromingen, en de gevolgen voor natuur en landbouw bij afwezigheid van voldoende zoetwater in droge perioden.

Doel 2100: perspectief

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het ARK/NZK-watersysteem aan zijn grenzen zit. Binnenvaart en zeevaart zijn afhankelijk van en hebben invloed op de robuustheid van het watersysteem. De diverse ruimtelijke ontwikkelingen in het ARK/NZK-gebied - zoals de bouw van honderdduizenden woningen, het tegengaan van bodemdaling, transities in energie en landbouw - hebben nu en in de toekomst grote invloed op het waterbeheer en vice versa: van mogelijk versnelde neerslagafvoer tot een grotere (zoet)watervraag. Deze ontwikkelingen kunnen niet los worden gezien van de klimaat- en watersysteemontwikkelingen: het is belangrijk de opgaven en randvoorwaarden vanuit het watersysteem helder in beeld te brengen.
Ook voor dit gebied is het belangrijk de opgaven vanuit het Deltaprogramma integraal aan te pakken, in samenhang met de ruimtelijke ontwikkelingen en gedragen in het Deltaprogramma. Dat vraagt om een heldere organisatie, zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau. De komende periode zal daar een organisatiemodel voor worden uitgewerkt, zodat dit gebied straks ook volwaardig deel kan uitmaken van de volgende herijkingsronde van het Deltaprogramma.

Verschillende initiatieven richten zich op de opgaven in het ARK/NZK-watersysteem, zowel op de korte als op de lange termijn. In het ARK/NZK-gebied liggen meerdere NOVEX-gebieden. Dit zijn gebieden waar nationale opgaven in het fysieke domein dusdanig stapelen dat een gebieds­gerichte ordening en prioritering van verschillende nationale op­gaven noodzakelijk is. Deze gebieden zullen als gevolg van nationale ruimtelijke opgaven en keuzes worden herbestemd en/of ingrijpend worden heringericht. Het regionale programma Toekomstbestendig Watersysteem Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaalgebied (TB) werkt vanuit de koppeling tussen het watersysteem en het ruimtelijk domein aan toekomstbestendigheid in 2100.

Voortgang

In samenwerking met spoor IV van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (zie hoofdstuk 2) zijn in gebiedssessies handelingsperspectieven voor de verre toekomst verkend door middel van zogeheten ontwerpend onderzoek. Hierin is onderzocht hoe de oplossingsrichtingen voor de lange termijn eruit kunnen zien en welke kansen en dilemma’s er in het gebied zijn wat betreft transities en opgaven.
Uit diverse TB-onderzoeken in 2022 blijkt dat op relatief korte termijn extra maatregelen nodig zijn in de waterinfrastructuur en/of ruimtelijke ontwikkelingen om nu en in de toekomst droge voeten en voldoende zoetwater te houden. De expertgroep ‘Water en Klimaatadaptatie’, een samenwerking van waterbeheerders, gerelateerd aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), heeft de wateropgaven integraal in beeld gebracht, in samenhang met andere opgaven. De Verstedelijkingsstrategie van de Metropoolregio Amsterdam is hierbij een van de uitgangspunten.
TB constateert verder dat ruimtelijke reserveringen nodig zijn om op langere termijn ruimte te houden voor water­systeemmaatregelen. Het watersysteem zit aan zijn grenzen. Om met partijen uit het ruimtelijk domein in gesprek te gaan, heeft TB in 2022 een zogenoemde TB-gesprekskaart opgesteld, die mogelijke ruimtelijke reserveringen in beeld brengt. Deze informatie is ook aangeleverd aan de twee ontwerpende onderzoeken die in het kader van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie zijn uitgevoerd: het vormgeven van de adaptatiestrategie ‘Meebewegen’ voor Centraal Holland en de waterveiligheid in het grootschalig woningbouwtraject Haven Stad.
Opties zijn bijvoorbeeld het tijdelijk opzetten van het calamiteitenpeil om het ARK/NZK en/of grootschalige piekbergingslocaties. Daarvoor is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen hierop nu al anticiperen.

Verbinding

Het TB-programma werkt vanuit een netwerkstructuur adaptief en gebiedsgericht samen met diverse andere initiatieven. Dit zijn onder andere de verschillende deel­programma’s van het Deltaprogramma, het project Slim Watermanagement (SWM), het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, de Verstedelijkingsstrategie Metropool­regio Amsterdam, NOVI Noordzeekanaalgebied, de Rijkswaterstaatprogramma’s Klimaatbestendige Netwerken (KBN - zie kader) en het programma Vervanging en Renovatie gemaal en spuicomplex IJmuiden.
Daarnaast heeft TB input geleverd aan onder meer om­gevingsvisies van gemeenten en provincies. Het programma blijft werken aan verbinding door de wateropgaven en de sturende rol van water onder de aandacht te brengen in (nieuwe) overlegtafels. Dit gebeurt steeds vanuit hetzelfde adagium: de juiste (beslis)informatie op het juiste moment op de juiste tafel.

Klimaatbestendige Netwerken

Om de uitvoering van het bestuursakkoord ‘Klimaatadaptatie’ (2018) vorm te geven, werkt Rijkswaterstaat aan een waterrobuuste en klimaat­bestendige inrichting van de netwerken die zij beheert. Het programma Klimaatbestendige Netwerken (KBN) is gericht op het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering en het benutten van kansen die een veranderend klimaat biedt. Rijkwaterstaat volgt hierbij het stramien dat is gedefinieerd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Momenteel ligt er een landelijke uitvoeringsagenda. Daarnaast vinden aanvullende stresstesten plaats en worden mogelijk twee vervolgonderzoeken gestart: een raakvlakkenanalyse en een onderzoek naar het effect van toekomstige ontwikkelingen op de zoet-zoutbalans ter hoogte van de ARK-monding.

Ontwikkelingen

De afvoer van water in het ARK/NZK-gebied is sterk afhankelijk van de belangrijkste afvoerlocatie: het spui- en maalcomplex IJmuiden. In de toekomst zal de maximale afvoercapaciteit bij extremere neerslag vaker aangesproken worden en zal deze vaker onvoldoende zijn. Dit komt doordat er méér water toestroomt vanuit het gebied, terwijl de afvoercapaciteit afneemt door de zee­spiegelstijging. Rijkswaterstaat heeft stresstesten uitgevoerd waaruit blijkt dat het spui- en maalcomplex IJmuiden van alle Rijkswaterstaat-objecten in Nederland het meest kwetsbaar is voor klimaatdreigingen.

Bij extreme zeespiegelstijging is vanaf 2050 vrije afwatering via het spuicomplex IJmuiden bijna niet meer mogelijk. Het realiseren van extra afvoercapaciteit is daarom van groot belang. Daarom worden mogelijkheden voor een MIRT-onderzoek verkend; vanuit TB is al veel informatie beschikbaar en wordt gewerkt aan aanvullende kennis.

 

Zoetwaterkort en verziltingsproblematiek

De komende tijd onderzoekt TB ook het zoetwatertekort en de verziltingsproblematiek in de regio. Samen met onder andere het Deltaprogramma Zoetwater (via het traject Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwater­systeem) wordt bekeken welke maatregelen op de korte en lange termijn noodzakelijk zijn. De eerste resultaten hiervan komen medio 2023 beschikbaar, maar het onderzoek werkt uiteindelijk toe naar de herijking van de nationale waterverdeling in 2026. De TB-routekaart geeft op termijn meer inzicht in noodzakelijke keuzemogelijkheden.

Ruimtelijke ontwikkelingen

Om water (mede) sturend te laten zijn in het ruimtelijk domein werkt TB aan duidelijke randvoorwaarden waaraan ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen. Naast het vasthouden en/of bergen van water dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de waterafvoer en de neerslagtoename in het ‘eigen gebied’ te worden opgevangen (klimaatadaptief bouwen). Het gesprek hierover tussen waterbeheerders, provincies en partijen in de ruimtelijke ordening moet dus plaatsvinden vanaf het begin van de ontwikkeling.

6.2 IJsselmeergebied

Het Deltaprogramma helpt om de gebiedsfuncties van het IJsselmeergebied voor de toekomst te behouden en zo mogelijk te versterken. Samenwerking vormt de sleutel: onlangs ondertekenden partijen een bestuursovereenkomst waarmee de regio IJsselmeergebied als eerste in Nederland de regionale verdringingsreeks heeft geactualiseerd: een aanbeveling van de Beleidstafel Droogte. Zoetwatervoorziening, dijkversterking, anti-verzilting en het verhogen van de afvoercapaciteit gaan hand in hand met kennisontwikkeling. Verdere kennisontwikkeling is namelijk wenselijk, gezien de complexiteit van de opgaven.

6.2.1 Doel 2050: perspectief

Bij de waterafvoer naar de Waddenzee draait het om ‘spuien als het kan, pompen als het moet’. Over enkele jaren komen pompen en extra spuisluizen beschikbaar in de Afsluitdijk. Deze afvoercapaciteit zal tot 2050 voldoende zijn om water naar de Waddenzee te kunnen blijven afvoeren. De water­veiligheid wordt zo gewaarborgd.
In 2050 zijn de spuicomplexen in de Afsluitdijk aan het einde van hun technische levensduur en aan vervanging toe. De recente nieuwe inzichten in zeespiegelstijging onderstrepen de noodzaak om tijdig over de omvang en het moment van die vervangingsopgave na te denken.

Flexibel beheer, aangepaste inrichting

Met een stapsgewijze en samenhangende aanpak blijven het aanbod van en de vraag naar zoetwater in evenwicht. Met het Nieuwe Peilbesluit IJsselmeergebied (2018) is de zoetwatervoorraad in het hoofdwatersysteem vergroot met een hoeveelheid van 400 miljoen kubieke meter water.

De omliggende zoetwaterregio’s zetten in op flexibel beheer en aangepaste inrichting. Ook wordt er ingezet op een efficiëntere benutting van water door gebruikers. De Stresstest Zoetwater IJsselmeergebied laat echter zien dat richting 2050 de kans op watertekorten enorm gaat toe­nemen. Het aanbod van zoetwater wordt kleiner, de vraag naar zoetwater groter.

Verre blik vooruit

Het IJsselmeergebied heeft te maken met ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur, woningbouw, de energietransitie, klimaatadaptatie, de natuur, cultureel erfgoed, landbouw en visserij, en recreatie en toerisme. Tot 2050 kan de investeringsopgave in het IJsselmeergebied zo’n € 140 miljard bedragen[1]. Hier kan het gaan schuren: ruimte­lijke ingrepen in het IJsselmeer en Markermeer verkleinen de buffercapaciteit van de meren. De mogelijkheden voor vergroting van de zoetwatervoorraad middels ‘peilopzet’ (meer water vasthouden) kunnen gehinderd worden door buitendijkse ontwikkelingen op het gebied van onder andere verstedelijking, recreatie, toerisme en natuur.

Er is onvoldoende besef dat iedere individuele ruimtelijke ingreep direct effecten heeft en grote consequenties op korte en lange termijn kan hebben, ter plekke en elders. Ingrepen kunnen ook consequenties hebben voor gebieden buiten het IJsselmeergebied, die afhankelijk zijn van zoetwater uit het IJsselmeergebied. Duurzaam ruimtegebruik voor het hele gebied vergt een gezamenlijke verre blik vooruit. De sterker dan verwachte klimaatverandering is van invloed op (toekomstige) inrichtingsbeslissingen: partijen moeten rekening blijven houden met mogelijke aanpassingen van de peilen. Voorkomen moet worden dat adaptatiemaatregelen ineffectief blijken of dat er op langere termijn oplopende kosten zullen zijn.

6.2.2 Voortgang

Begin 2022 hebben zeventien partijen (provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat) een bestuursovereenkomst ondertekend als uitkomst van het proces Actualisatie Water­verdeling Regio IJsselmeergebied. De regio geeft daarmee invulling aan de aanbeveling van de Beleidstafel Droogte over regionale uitwerking van de verdringingsreeks en de bestuurlijke borging daarvan. Het proces heeft geleid tot meer inzicht en tot meer begrip tussen betrokken partijen. Hierdoor is men beter in staat om over de eigen grenzen heen te kijken. Daarmee kunnen partijen een bredere en gezamenlijke afweging maken over de waterverdeling in het geval van watertekort.

Regiosessie

Op 1 juni 2021 vond als onderdeel van het Kennis­programma Zeespiegelstijging voor het IJsselmeergebied de eerste regiosessie plaats. Deelnemers verkenden gezamenlijk de relaties tussen (oplossingsrichtingen voor) een versnelde zeespiegelstijging en gebiedsspecifieke ruimtelijk-economische ontwikkelopgaven. De verkenning gaf inzicht in belangrijke kansen en dilemma’s en leidde tot kennisvragen over de toekomstige inrichting van het gebied. Na de zomer van 2022 volgt een werkatelier, dat zal bestaan uit vier sessies. Daarin worden mogelijke lange termijnoplossingsrichtingen en de bijbehorende kansen en risico’s in beeld gebracht.

Waterafvoer en -veiligheid

Met het Project Afsluitdijk wordt extra spuicapaciteit gerealiseerd, evenals een pompcapaciteit van 235 m3/s. De strategie van ‘spuien als het kan, pompen als het moet’ vraagt nadere uitwerking. Pompen heeft invloed op de meerpeilstatistiek. Dit is belangrijk voor de aanliggende regionale watersystemen - denk aan waterafvoer uit de regio. Op diverse trajecten in het IJsselmeergebied vinden projecten voor dijkversterking plaats (zie ook paragraaf 3.4.1).

Anti-verzilting

Rijkswaterstaat is eind 2021 gestart met het verkennen van anti-verziltingsmaatregelen bij de Afsluitdijk, gefinancierd vanuit het Deltaplan Zoetwater. De maatregelen richten zich op een betere zoutbeheersing, met oog voor locatiespecifieke aspecten met betrekking tot de scheepvaart en de ecologie. Drinkwaterbedrijf PWN in Noord-Holland verkent een aantal opties om weerbaarder te worden tegen verzilting van het IJsselmeer, waaronder de mogelijkheid om een klimaatbuffer in het IJsselmeer te ontwikkelen. Dit is de combinatie van een waterbuffer, waarop teruggevallen kan worden bij verhoogde chlorideconcentraties, en natuurontwikkeling (PAGW). Buffer en natuur versterken daarbij ook de natuurlijke voorzuivering bij PWN. Zo wordt de robuustheid van de drinkwatervoorziening in perioden met watertekorten vergroot. Resultaten hiervan zijn van belang voor toekomstige afwegingen over de zoetwatervoorziening vanuit het IJsselmeer.

6.2.3 Verbinding

Beleidskader zoetwatervragende functies

Nieuwe ontwikkelingen die water vragen hebben consequenties voor de benodigde zoetwatervoorraad in het IJsselmeergebied. Voorbeelden van die ontwikkelingen zijn: de drinkwatervoorziening als gevolg van woningbouw, de komst van waterstoffabrieken ten bate van de energie­transitie, de aanleg van mega-datacentra en nieuwe peilbeheersing in de veenweidegebieden. In de bestuurs­overeenkomst van de Actualisatie Waterverdeling Regio IJsselmeergebied is afgesproken om het huidige beleidskader, waarin staat hoe hiermee om moet worden gegaan, te actualiseren. Dat beleidskader richt zich zowel op het behouden van de zoetwaterbeschikbaarheid als op het faciliteren van een aantal nieuwe noodzakelijke ontwikkelingen. De aanvoer van water naar het omliggende gebied is niet oneindig en vraagt dus om goed afgewogen keuzes.

Ruimtelijke Verkenning

Het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ) heeft in het kader van de Agenda IJsselmeergebied 2050 opdracht gegeven tot een Ruimtelijke Verkenning, die als doel heeft om inzicht te krijgen in de opgaven en ontwikkelingen in het IJsselmeergebied. Dat inzicht leidt tot handvatten voor het maken van gezamenlijke keuzes. De opgaven kunnen een grote ruimtelijke impact hebben en daarmee gevolgen hebben voor de zoetwatervoorraad en de waterveiligheid.
De samenhang tussen de wateropgaven, natuuropgaven, de ruimtelijke inrichting van het IJsselmeergebied en andere maatschappelijke opgaven, vraagt nadrukkelijk om koppeling aan de fysieke langetermijn veranderingen die op het gebied afkomen. Die veranderingen zijn: de zeespiegel­stijging, de wisselende rivierafvoer en grotere en frequenter optredende weersextremen. Het nieuwe kabinetsbeleid om water en bodem sturend te laten zijn bij ruimtelijke planvorming, is meegenomen in de aanpak door de ‘lagenbenadering’ toe te passen. Dat is een analyse-, ontwerp- en afwegingsinstrument dat vaak gebruikt wordt bij gebieds­gerichte projecten.

6.2.4 Ontwikkelingen

De zoetwaterbeschikbaarheid staat onder druk. Het Kennis­programma Zeespiegelstijging kijkt ook naar nieuwe in­zichten vanuit de nieuwe klimaatscenario’s en naar ver­zilting op lange termijn. Nieuwe inzichten in de mogelijke zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust kunnen leiden tot een scherpere duiding van de noodzaak om na 2050 het winterpeil in het IJsselmeer en Markermeer te verhogen. De komende jaren vraagt dit dan ook aandacht voor de vergroting van de pompcapaciteit na 2050, voor de beheersing van meerpeilpieken en voor de effecten daarvan op het regionale watersysteem.

Klimaatverandering

Klimaatverandering neemt in belang toe bij de toekomstige ruimtelijke inrichting van het IJsselmeergebied. Er is kans op meer en langere perioden zonder neerslag waarin de watervraag gaat toenemen. Met hogere temperaturen neemt de verdamping toe en de stijgende zeespiegelstijging leidt tot extra zoutbelasting via de spui- en scheepvaartsluizen, met vervolgens de noodzaak om meer zoetwater aan te wenden voor bestrijding van deze verzilting. Andere risico’s zijn: overstromingen, lagere natuurkwaliteit en aantasting van de kwaliteit van het watersysteem zelf en van de leefruimte. De Ruimtelijke Verkenning IJsselmeergebied gaat het spanningsveld in kaart brengen tussen ‘water en bodem sturend maken’ en alle andere opgaven bij ruimtelijke ordening en ruimtelijke ingrepen.

Ook in het IJsselmeergebied kunnen klimaattrends en weers­extremen samenvallen, met als gevolg van die combinatie een grote impact. Wat is in zo’n geval het effect op bijvoorbeeld de IJssel-Vechtdelta? Uit die vraag volgt de noodzaak om meer aandacht te geven aan de wisselwerking tussen het regionale watersysteem en het hoofdsysteem.

Handelingsperspectief

De inzet vanuit de Deltabeslissing IJsselmeergebied is om het aanbod van zoetwater en de vraag naar zoetwater uit de IJsselmeerbuffer in evenwicht te houden. De Stresstest Zoetwater IJsselmeergebied laat de noodzaak zien om een mogelijk toekomstig watertekort terug te dringen en zoutbeheersing te realiseren. Dat kan gebeuren door extra aanvoer, door vermindering van de watervraag, of door nieuwe watervragers niet toe te laten. Een beleidskader voor nieuwe watervragers wordt daarom belangrijk. Daarnaast kan de watervraag door de betreffende overheden worden beperkt via het maken van ruimtelijke keuzes. De veen­weideproblematiek komt hierbij ook aan de orde, evenals een verschuiving van de drinkwaterwinning naar oppervlaktewater. Dit wordt opgepakt vanaf 2022.

Het is in de operationele praktijk niet eenvoudig om tijdig de zoetwaterbuffer op het juiste niveau te brengen. Aanvullen van de buffervoorraad moet gebeuren ver voordat het stadium van droogte in zicht komt. Dit vraagt een verbeterde ‘voorspelhorizon’ van de rivierafvoeren, waarvoor gezamenlijk onderzoek nodig is. Wat ook gezamenlijk onderzocht moet worden zijn het beheer en gebruik in bovenstroomse landen en internationale afspraken.

Enkele ontwikkelingen in het IJsselmeergebied

Landelijk spelen enkele ontwikkelingen die van invloed zijn op het IJsselmeergebied. Deze worden nauwlettend in de gaten gehouden en de samenwerking wordt versterkt. Om de zoetwatervoorraad in het IJsselmeergebied te vergroten, wordt als onderdeel van de strategie Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwatersysteem onderzocht of extra water aan te voeren is via het Amsterdam-Rijnkanaal en welke nadelige effecten daarbij dienen te worden voorkomen. Een voorbeeld van zo’n mogelijk nadelig effect is verzilting van het Noordzeekanaal. Door de erosie van de Boven-Waal en het Pannerdensch Kanaal verandert ook de afvoerverdeling over de Rijntakken bij laagwater: de IJssel krijgt dan minder water. Op termijn kan dit consequenties hebben voor de watertoevoer naar het IJsselmeer. Binnen het Programma Integraal Riviermanagement wordt een toekomstvisie uitgewerkt waarin de laagwaterproblematiek en afvoerverdeling een plek krijgt.

Nieuwe ontwikkelingen en inzichten worden enerzijds verbonden aan het langetermijn perspectief voor het IJsselmeergebied en anderzijds aan de uitvoering voor de korte termijn van initiatieven in het gebied. Dat vraagt om een vernieuwd besef van de complexiteit van de opgaven. Ook moeten per opgave verschillende tijdschalen in acht worden genomen. Dit zal stapsgewijs bijdragen aan een goede besluitvorming over de herijking van de Delta­beslissing IJsselmeergebied, die over enkele jaren zal plaatsvinden.

Uitvoeringskracht en capaciteit

De veelheid aan opgaven en de complexiteit van de af­stemming hierover in het IJsselmeergebied, betekenen dat de kennisbasis binnen het Deltaprogramma onder deelnemende partijen versterking vraagt. Tegelijk benoemen partijen dat een gebrek aan personele capaciteit nu al leidt tot problemen in de afstemming. Naar verwachting zal dit probleem de komende jaren nog nijpender worden.

6.3 Rijn-Maasdelta

De deltabeslissing Rijn-Maasdelta gaat over keuzes in het hoofdwatersysteem die gevolgen hebben voor de gehele Rijn-Maasdelta: de bedijkte Maas, de Maasvallei, de Rijntakken, het benedenrivierengebied tot aan de riviermondingen, en de noordelijke bekkens van de Zuidwestelijke Delta.

Afvoerverdeling Rijntakken

De ontwikkelingen rond de afvoerverdeling over de Rijntakken staan beschreven in paragraaf 6.4.4. 

6.4 Rijn en Maas

De eerste herijking van de voorkeursstrategie voor Rijn en Maas verloopt via het programma Integraal Rivier­management (IRM). Het doel is de opgaven voor waterveiligheid, natuur en waterkwaliteit, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid en ruimtelijke en economische ontwikkeling in samenhang aan te pakken, met behoud en versterking van bestaande kernkwaliteiten. IRM zal worden vastgelegd in een Programma onder de omgevingswet (POW-IRM). Dit programma zal naar verwachting in mei 2023 ter inzage komen, waarna definitieve besluitvorming kan plaatsvinden.

Programma Integraal Riviermanagement

Sinds de start van IRM in 2019 is veel kennis beschikbaar gekomen over het functioneren van het rivierengebied. Ook zijn processtappen gezet om te komen tot een Programma onder de Omgevingswet (POW).
In 2021 is als oefening gestart met de uitwerking van een toekomstvisie voor een tweetal riviertrajecten. De evaluatie van deze oefening heeft in 2022 geleid tot een herijking van IRM waarbij twee stappen zijn onderscheiden: beleidskeuzes en kaders worden in 2023 in het POW vastgelegd; na vaststelling en op basis van het POW starten integrale gebiedsuitwerkingen.
In het POW worden beleidskeuzes vastgesteld op systeem- en riviertakniveau: keuzes voor de sedimenthuishouding/bodemligging en voor afvoer- en bergingscapaciteit. Tevens worden prioritaire gebieden geselecteerd, onder andere op basis van urgentie van individuele opgaven en samenloop van opgaven. Verder bevat het POW prioritaire systeemmaatregelen.

Het POW is bindend voor het Rijk; het wordt namens het Rijk vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Waterstaat in samenspraak met in ieder geval de betrokken overige Rijksdepartementen, provincies en water­schappen. In bestuursakkoorden tussen het Rijk en betrokken provincies en waterschappen worden afspraken gemaakt over de regionale doorwerking en uitvoering van het POW. Deze afspraken gaan over regie, governance, samenwerking, organisatie, procescondities, financiering en harmonisering van financieringskaders. Tevens worden afspraken vastgelegd over het monitoren, bewaken en sturen op de voortgang van IRM en over de zesjaarlijkse herijking van het POW als voorkeursstrategie voor Rijn en Maas.
Er is voor gekozen het POW te richten op hoofdkeuzen voor het riviersysteem en de selectie van prioritaire gebieden. Het voorkeursalternatief voor het Programma IRM is volgens planning in mei 2023 gereed voor inspraak, waarna definitieve besluitvorming kan plaatsvinden. Het vormt dan de herijkte voorkeursstrategie voor Rijn en Maas.

Pilotprojecten IRM

Om ervaring op te doen met integraal werken en scherp te krijgen welke lessen en dilemma’s daaruit voortkomen, zijn in 2020 negen IRM-pilots gestart: drie langs de Rijntakken en zes langs de Maas. In 2022 volgden vier nieuwe pilots voor de Rijntakken: Zelfrealisatie Midden-Waal, Pre-verkenning PAGW Gelderse Poort, Droogte IJsselvallei en HWBP-Veilige Vecht. De leervragen van deze pilots zijn gericht op het integreren van de doelen, financieringsbronnen en planningen van de betrokken partijen. In 2022 zijn hieraan twee pilots voor actief sedimentbeheer toegevoegd: op de Midden-Waal en de Gemeenschappelijke Maas. Die pilots zijn specifiek gericht op het vorm­geven van de toekomstige aanpak van de sedimenthuishouding en de rivierbodemligging. De ervaringen uit de pilots worden meegenomen bij de ontwikkeling van het Programma IRM. Een nadere toelichting op de pilots staat in paragraaf 6.4.3.

6.4.1 Doel 2050: perspectief

Het einddoel is een vitaal, bevaarbaar, veilig en aan­trekke­lijk rivierengebied. Dit wordt bereikt door binnen het pro­gramma IRM een visie te ontwikkelen op het rivieren­gebied, in beeld te brengen welke ingrepen nodig zijn op het gebied van waterveiligheid, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit, natuur en een (economisch) aantrekkelijke leefomgeving, met behoud en versterking van bestaande kernkwaliteiten, en deze ingrepen vervolgens uit te voeren.

Vanwege de veelheid van wensen en ambities is het nodig keuzes te maken en in te zetten op meervoudig ruimte­gebruik. Dit vraagt om een integrale aanpak en maatregelen die niet op zichzelf staan, maar onderdeel zijn van een logisch en samenhangend geheel. In juli 2021 heeft zich in de Maasregio een ramp van nationale orde voorgedaan: extreme regenval leidde tot grote en langdurige maatschappelijke ontwrichting, zowel in het regionale als in het hoofdwatersysteem. De urgentie om te werken aan veiligheid in het rivierengebied is onverminderd groot en vraagt om actie.

De eerste majeure opgave is de klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor hoog- en laagwater en de ecologie. Het is nodig de afvoercapaciteit van de rivieren te vergroten, water zo lang mogelijk vast te houden, de laagwaterstanden zo hoog mogelijk te houden en de rivierdynamiek te ver­groten.
De klimaatopgave wordt bemoeilijkt door de gevolgen van ingrepen uit het verleden, zoals het verregaand vastleggen van het rivierbed, waardoor de rivierbodem in de loop van de tijd steeds verder is verdiept, met allerlei gevolgen voor de zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, natuur en scheepvaart. Dit is de tweede grote opgave voor de rivieren. Beide opgaven spelen een rol in het programma IRM, waarin beleidskeuzes voor de afvoercapaciteit en bodemligging worden voorbereid, inclusief een uitwerking in prioritaire gebieden waarin de urgente (systeem)opgaven liggen.

Het doel voor waterveiligheid is realisatie van de nieuwe hoogwaterveiligheidsnorm in 2050 en specifiek voor de Maas ook het behoud van ruimte in het rivierbed in de Limburgse Maasvallei dankzij twaalf systeemmaatregelen. De verwachting is dat dit doel bereikt gaat worden.
Een belangrijke belemmering bij rivierverruiming is dat er nu geen investeringsprogramma bestaat zoals bijvoorbeeld Maaswerken of Ruimte voor de Rivier. De financiering moet per project middels onderhandeling tot stand komen.

Voor de Maas is een aantal bestuurlijke boodschappen aan te wijzen. Partijen werken nauw samen om waterveiligheid op orde te krijgen; er is veel aandacht voor innovatie (bijvoorbeeld in de vorm van opdrijvende keringen en glazen wanden) en draagvlak in de regio. Rivierverruiming komt slechts op beperkte schaal tot stand, maar daar waar deze plaatsvindt is het resultaat positief. Onderzoek vindt nog plaats op het vlak van doelen en mogelijke maatregelen gericht op een robuuste zoetwaterbeschikbaarheid vanuit de Maas.

6.4.2 Voortgang

Rijn

Dijkversterking (HWBP)

Langs de Rijn lopen verschillende projecten. Enkele noemens­­waardige voorbeelden zijn:

Gorinchem-Waardenburg

Medio 2022 zijn de dijkversterkingsprojecten Gorinchem-Waardenburg (23,5 km), Tiel-Waardenburg (19,5 km) en Wolferen-Sprok (13.1 km) in uitvoering. Diverse andere projecten zijn vergevorderd in de planuitwerking. Waterschap Rivierenland deelt de kennis die deze projecten opleveren binnen het HWBP. Zo heeft het waterschap in 2020 een online leerverslag over de verkennings- en de planuitwerkingsfase van Gorinchem-Waardenburg gepubliceerd en heeft Wolferen-Sprok een belangrijke bijdrage geleverd als voorbeeldproject voor emissieloos bouwen.

Tabel 11 Aantal HWBP-projecten (lengte van waterkering)
Waterschap In voorbereiding In uitvoering Nog niet opgestart
HH Stichtse Rijnlanden 5 (46 km) 1 (2 km)  
WS Rivierenland 4 (61 km) 7 (61 km) 13 (241 km)
WS Drents Overijsselse Delta 4 (77 km)   8 (91 km)
WS Rijn en IJssel 5 (18 km)   9 (115 km)
WS Vallei en Veluwe 1 (5 km) 1 (3 km) 4 (19 km)
Sterke Lekdijk

In het project Sterke Lekdijk gaat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vrijwel de gehele Nederrijn- en Lekdijk tussen Amerongen en Schoonhoven (55 km) ver­sterken. Dit project is opgedeeld in zes deelprojecten. Het deelproject Salmsteke start in 2022 met de realisatiefase. De andere deelprojecten bevinden zich in de verkennings- of planuitwerkingsfase. Het hele project heeft grote ambities op het gebied van innovatie, ruimtelijke kwaliteit en duur­zaamheid, waaronder emissieloos werken. De samen­werking met de drie innovatiepartners is ondergebracht in een tweefasencontract. In dit innovatiepartner­schap staan procesinnovatie en ketensamenwerking centraal.

Grebbedijk

De verbetering van de Grebbedijk is onderdeel van een gebiedsontwikkeling waarbij de waterveiligheidsdoelstelling invulling krijgt samen met natuurdoelen en ambities voor recreatie, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. In de zomer van 2020 hebben de partners het voorkeursalternatief voor de gebieds­ontwikkeling vastgesteld. In de planuitwerking werken de gemeenten Wageningen en Rhenen, de provincies Gelderland en Utrecht, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en Het Utrechts Landschap samen met Waterschap Vallei en Veluwe het voorkeursalternatief verder uit. Circulariteit krijgt speciale aandacht, onder meer door voor het eerst voor een dijk een zogeheten materialenpaspoort op te stellen. De planuitwerking is naar verwachting in 2024 klaar. Daarna start de realisatiefase.

Zwolle-Olst

Om dit dijktraject weer aan de wettelijke veiligheidsnormen te laten voldoen is in 2017 een verkenningsfase gestart. Hiervoor zijn verschillende alternatieven afgewogen samen met betrokken partijen. Ze zijn onderzocht op impact op de omgeving, kosten en techniek. In september 2019 is het voorkeursalternatief vastgesteld. Voor het grootste deel van de deeltrajecten is gekozen voor een binnendijkse dijkversterking met een verticale piping-oplossing. Een klein aantal deelgebieden wordt ingevuld met een buitendijkse dijkversterking. Het project bevindt zich momenteel in de planuitwerkingsfase. Realisatie start in 2023.

Rivierklimaatpark IJsselpoort

In het najaar van 2020 hebben de vijf betrokken gemeente­raden de intergemeentelijke structuurvisie voor Rivierklimaatpark IJsselpoort vastgesteld en heeft de minister van IenW de MIRT-voorkeursbeslissing genomen. Op dit moment loopt de planuitwerking. Het plan bestaat uit maatregelen voor rivierverruiming, scheepvaart, waterkwaliteit (KRW), natuurontwikkeling, het stimuleren van het natuurinclusieve landbouw, herontwikkeling van het steenfabrieksterrein en recreatieve ontwikkelingen. Hiermee verbetert ook de ruimtelijke kwaliteit van het buitendijkse gebied tussen Arnhem en Giesbeek. Voor de planuitwerking heeft Rijkswaterstaat de rol van trekker namens de acht samenwerkende partijen overgenomen van de provincie Gelderland. De planning van de planuitwerking wordt in het voorjaar van 2022 nader uitgewerkt.

Maas

Waterveiligheid

Langs de Maas zijn enkele kleine HWBP-projecten afgerond; van enkele grote start in 2022 de uitvoering (Beesel en Heel) en vele zijn in voorbereiding. Zes van de twaalf systeem­herstelmaatregelen die extra ruimte creëren in de Limburgse Maas, zijn in onderzoek of voorbereiding.

Ook zijn twaalf rivierverruimingsprojecten in voor­bereiding, veelal in combinatie met dijkversterking. In veel gevallen leiden deze projecten tot integrale gebieds­ontwikkeling. Voor alle projecten langs de Maas: zie paragraaf 3.4.1, tabellen 2 tot en met 6.

Tabel 12 Aantal HWBP-projecten (lengte van waterkering in km)
Waterschap In voorbereiding In uitvoering Gereed Resterend (<2050)
Limburg 14
(50,251 km)
2
(4,8 km)
2
(0,349 km)
70 km
(WS Limburg werkt aan een
programmering voor 185 km
dijk tot 2050)
Aa en Maas 4 (71 km) 4 (44 km)
Brabantse Delta
Rivierenland 0 0 0 Een evt. versterkings­opgaaf voor
deze Maasdijken volgt pas na
uitvoering van de tweede landelijke
beoordelingsronde in 2023-2034)

Twee projecten langs de Maas uitgelicht:

Bij Well komen veel opgaven en kwaliteiten samen, waarbij een integrale aanpak van grote meerwaarde is. Maatregelen voor de waterveiligheid zijn nodig en deze worden als motor ingezet voor ecologische en recreatieve versterking van het historisch en landschappelijk waardevolle kasteel­domein. Voor de waterveiligheid zijn een groene rivier en nieuwe dijkringen rond Well en Elsteren als voorkeursvariant voorzien, terwijl bij een ander stuk de dijk wordt verlegd. De Wellse Molenbeek watert vanaf de Maasduinen af op dit gebied. De beek die nu deels ondergronds loopt, wordt ecologisch verbeterd en krijgt een nieuwe monding op de Maas. Door afgraving van klei ontstaan extra kansen voor kwelnatuur en de vrijkomende klei kan worden gebruikt voor de dijken. Nadat in 2020 de nota voorkeurs­alternatief en de milieueffectrapportage zijn vastgesteld, zijn onderzoeken uitgevoerd en in overleg met burgers en bedrijven ontwerpen gemaakt. Op grond daarvan ondertekenen betrokken partijen naar verwachting in 2022 een bestuursovereenkomst voor de planuitwerkingsfase.

Het project Meanderende Maas gaat de dijk van Ravenstein tot Lith versterken, de Maas aan Gelderse én Brabantse zijde meer ruimte geven en het gebied mooier en economisch sterker maken. Tien organisaties werken samen met bewoners, ondernemers en belanghebbenden aan de toekomst van het karakteristieke gebied rond de Maas, met oog voor de bestaande kwaliteiten. In 2028 resulteert dat in een sterkere dijk en een prachtig gebied, veilig en mooi, met ruimte voor mens, rivier en natuur. In 2022 werkt projectteam Meanderende Maas de maatregelen voor de dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling tot in detail uit tot een definitief ontwerp. Hiermee worden circa 270.000 bewoners, bedrijven en kostbare infrastructuur achter de dijk en in Oss en Den Bosch beter beschermd tegen hoogwater.

Zoetwaterbeschikbaarheid

Zie achtergronddocument F.

6.4.3 Verbinding

Rijn

Pilots Integraal Riviermanagement (IRM)

De negen IRM-pilotprojecten zijn synergieprojecten, die werken aan het bij elkaar brengen van regio- en rijks­opgaven. Het nieuwe Praktijknetwerk IRM helpt de projecten en IRM samen naar een robuust riviersysteem. Zie ook het kader in paragraaf 6.4.

Lopende pilots:

Werkendam

Ondernemers, overheden en belanghebbenden realiseren hier samen een integraal toekomstbeeld. Elementen zijn onder meer waterveiligheid, dijkversterking, rivier­verruiming, natuurkwaliteit en havenuitbreiding.
De fase die voor de leervragen relevant is, is afgerond. Ten aanzien van Havenontwikkeling Werkendam is een MIRT-onderzoek afgerond. Er is op dit moment geen duidelijkheid over de opgaven vanuit IRM voor dit gebied en over dijkversterking. Beoordeling van de dijken zou voorjaar 2022 afgerond zijn, maar vindt later dit jaar plaats.

Havikerwaard, Fraterwaard en Olburgerwaard (HFO)

Voor dit gebied is in 2020 een MIRT-onderzoek uitgevoerd. In het najaar van 2022 vindt vervolgonderzoek plaats, gericht op verdroging, ruimte-/grondgebruik en de invloed van het riviersysteem. De basis hiervoor is een landschaps­ecologische systeemanalyse (LESA) binnen de PAGW-pilot Gelderse Poort. Dit vervolgonderzoek zal leiden tot scenario’s voor gebiedsontwikkeling in relatie tot opties voor bodemligging en afvoercapaciteit.

Paddenpol

Doelen van dit project zijn onder andere meer ruimte voor de IJssel, een bredere uiterwaard met kansen voor water­standsdaling, ecologische waterkwaliteit, bijzondere rivier­natuur en recreatie. De fase die voor de leervragen relevant is, is afgerond. De dijkverlegging en inrichting van het buitendijkse gebied is onderdeel van de planuitwerking van het HWBP-project Zwolle-Olst.

Nieuwe pilots:

Zelfrealisatie Midden-Waal

Voor dit gebied staat herontwikkeling van de uiterwaarden met delfstoffenwinning op de planning. Hier liggen kansen voor samenwerking tussen private partijen en overheid. Dit is de basis van de onderzoeksvragen van de pilot.

Gelderse Poort

Deze pilot levert kennis op over het integreren van de PAGW-doelen in IRM. In 2022 vindt een preverkenning plaats van een ecologisch robuust en toekomstbestendig riviersysteem voor de Gelderse Poort en de diverse deelgebieden. Eerste stap daarin is een LESA, die ook voor het inliggende gebied HFO wordt gebruikt. Resultaat van de preverkenning is een set oplossingsrichtingen voor natuurrealisatie op de korte (N2000, NNN) en lange termijn (PAGW), in relatie tot de IRM-systeemknoppen bodem­ligging en afvoercapaciteit.

Droogte IJsselvallei

Er vindt onderzoek plaats naar het benutten van hoogwatersituaties voor perioden van laagwater en droogte, in relatie tot het landgebruik (natuur, landbouw, landbouwtransitie) en beheer van de uiterwaarden. Dit project bevindt zich in de opstartfase.

Veilige Vecht

Dit project richt zich op het waarborgen van de water­veiligheid van binnendijkse gebieden langs de Vecht tussen Dalfsen en Zwolle, met aandacht voor mogelijke andere opties in het Vechtstroomgebied. Dit zijn bijvoorbeeld systeemmaatregelen die bijdragen aan waterveiligheid en weerbaarheid tegen klimaatverandering. De pilot vindt plaats binnen de verkenning van de dijkversterking die loopt in de periode 2020-2023.

Systeemmaatregelen Midden-Waal

In opdracht van Rijkswaterstaat vindt momenteel een verkenning plaats gericht op de vraag hoe suppletie rivierbodem zodanig kan beïnvloeden dat de rivierfuncties integraal en duurzaam kunnen plaatsvinden in de Midden-Waal. Daarnaast wordt onderzocht op welke wijze integrale samenwerkingsverbanden kunnen zorgen voor efficiënte uitvoering van suppleties. Deze pilot laat de potentie zien van riviersuppleties als middel om het uiteindelijke doel van IRM in de praktijk te realiseren. De onderzoeksfase is naar verwachting in 2023 afgerond. De uitvoeringsfase zal ongeveer zeven jaar in beslag nemen.

Overige projecten:

Panorama Gelderse Rivieren

De grote rivieren (Maas, Waal, Nederrijn-Lek en IJssel) zijn van groot belang voor Gelderland. De rivieren bepalen hoe we wonen, werken en het landschap beleven. Al decennia werken vele partners samen aan toekomst­bestendige, natuurlijke en economisch sterke rivieren. IRM en het HWBP vallen steeds meer samen met bijvoorbeeld de energietransitie, verduurzaming van de landbouw en verstedelijking. Dat zijn complexe opgaven die vele kansen kennen, maar ook dilemma’s waarbij de samenwerking steeds belangrijker wordt. Het Panorama Gelderse Rivieren is een provinciaal handelingsperspectief dat kan bijdragen aan de verbinding tussen programma’s van verschillende overheden en initiatieven van andere partners. Het panorama hanteert een systematiek met een viertal gids­principes, te vergelijken met de lagenbenadering ruimtelijke ontwikkeling. Op grond daarvan worden enkele complexe Gelderse gebiedsprocessen verder uitgewerkt, waaronder dijkversterkingsopgaven, in samenspraak met de gebieds­partners.

Lingekruising

In 2026 start het groot onderhoud van een vijftal kunst­werken. Een daarvan betreft de vervanging van de duikers onder de A325 die het water van de Linge naar het oosten afvoeren. Waterschap Rivierenland gaat daar waar nodig de trajecten bij Kop van de Betuwe - Sprok - Sterreschans-Heteren versterken om de kans op dijkdoorbraak met overstroming tot gevolg aanzienlijk te verkleinen.

De berekeningen houden echter geen rekening met extreme regenval, zoals die bijvoorbeeld vorig jaar optrad in Limburg. Studies van Deltares en Sweco tonen aan dat als er een soortgelijke bui zou vallen ter hoogte van de Lingekruising met de A325, een waterdiepte tot wel 1 meter kan ontstaan, met mogelijk grote gevolgen.

Het onderhoudsplan houdt rekening met de vervanging van de duikers. De duikers zijn echter niet berekend op wateroverlast door extreme regen. Daarom is het nood­zakelijk de Linge, een laaglandbeek, de ruimte te geven door de A325 over een lengte van 80 meter op palen te zetten. De Linge kan daar in zijn oorspronkelijke breedte onderdoor stromen en hoeft dus niet meer te worden versmald om door de duiker te kunnen gaan. De ruimte onder de A325 wordt ook gebruikt om gemotoriseerd en fietsverkeer van oost naar west te laten rijden. Een aantal andere kunstwerken zoals de Elsterbrug kan hierdoor komen te vervallen of worden afgewaardeerd.

Ook zijn er andere voordelen te behalen. De ecologische verbinding neemt sterk toe, de wateraanvoer ten tijde van droogte zal efficiënter worden en de poortfunctie van Park Lingezegen zal eveneens sterk verbeteren. De verbinding van oost en west onder de A325 komt ten goede aan de ontsluiting van dorpen, recreatie en biodiversiteit. In dit onderzoek zoeken de provincie Gelderland, het Waterschap en de veiligheidsregio de samenwerking met het Rijk en Europese fondsen voor de financiering.

Maas

Het programma IRM werkt toe naar een programma onder de Omgevingswet. Het doel is een integrale aanpak waarbij de opgaven voor de volgende functies zo veel mogelijk worden gecombineerd: waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid, bevaarbaarheid, waterkwaliteit en natuur, en regionale ruimtelijke en economische opgaven, zoals de landbouwtransitie, energietransitie, et cetera.

Langs de Maas zijn de onderstaande zes IRM-pilotprojecten gestart:

  • Verlagen dam Lateraal Kanaal;
  • Maasoevers Maastricht;
  • Vierwaarden;
  • Alem en Fort Sint-Andries;
  • Afweging doorstroombaar maken landhoofd Gelderse zijde A2;
  • Hoogwaterveiligheid ‘s-Hertogenbosch, Crèvecoeur.

Hieraan is in 2022 een zevende pilot toegevoegd, die zich richt op systeemmaatregelen voor de Grensmaas. Het doel van deze sedimentsuppletiepilot Gemeenschappelijk Maas is te leren hoe grindsuppleties effectief en duurzaam kunnen helpen de hoogte en kwaliteit van de rivierbodem op een beoogd niveau te houden. Dit moet leiden tot een bodem die schade aan objecten en oevers door erosie voorkomt en tegelijkertijd de rivierhabitat van de grindrivier onderhoudt.

 

De pilots zijn gecategoriseerd naar fase van leren:

Categorie leren en uitvoeren

Verlagen dam Lateraal Kanaal:

  • Onderzoeken van de methode van voorfinanciering door overheden en een ‘millimeterfonds’ voor ondernemers en projecten (een compensatieregeling waarbij ondernemers partner worden en meebetalen aan de maatregel, om zo ruimte te krijgen voor hun eigen initiatief). Deze initiatieven moeten uiteindelijk een deel van de kosten van de verlaging dekken, binnen afgebakende ontwikkelruimte.

Categorie leren en verkennen

Maasoevers Maastricht:

  • Nautische veiligheid integraal benaderen.
  • Omgaan met het faseverschil in het oplossen van de diverse opgaven.

Vierwaarden:

  • Door herstel van de interbestuurlijke samenwerking de synergiekansen in dit riviertraject in beeld krijgen en winst voor de rivier en omgeving behalen. Daarmee komt ook een einde aan de onzekerheid voor de bewoners in de gebieden van de dijkverlegging.
  • Met meer partijen samenwerken dan de overheden alleen (initiatiefgroepen van bewoners, burgerparticipatie) en kansen benutten voor impulsen voor dorpen (inclusief dorpseconomie) in de directe omgeving van de rivier.

Pilot zelfrealisatie integrale gebiedsontwikkeling Alem en Fort Sint-Andries:

  • Ervaring opdoen met integrale gebiedsontwikkeling op basis van zelfrealisatie.
  • In het project komen verschillende kansen samen: voor waterstandsdaling, natuur met ruimte voor ooibos, delfstofwinning, de leefbaarheid op het eiland van Alem en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Deze pilot legt verbinding met de ontwikkeling van initiatieven om een ecologische stapsteen in te richten in het gebied waar Waal en Maas elkaar dicht naderen en tot in de 19e eeuw bij hoogwater samenstroomden.

Afweging doorstroombaar maken landhoofd Gelderse zijde A2:

  • Het Rijk heeft de meekoppelkansen onderzocht rondom het verbeteren van de doorstroombaarheid van de huidige A2-Maasbrug aan Gelderse zijde in samenhang met de nabijgelegen spoorbrug en Hedelse brug, inclusief kostenramingen. De conclusie was dat de effecten hiervan relatief beperkt zijn en de kosten relatief hoog. Daarom is besloten deze meekoppelkans nu niet mee te nemen in de planuitwerkingsfase van de A2 Deil - Vught; bij vervanging of renovatie kan het Rijk dit heroverwegen. De uitkomsten uit dit onderzoek worden meegenomen binnen IRM om deze aanpak te borgen in de gehele watersysteemopgave, en daarnaast als afweging bij kruisende infrastructuurprojecten.

Categorie leren en onderzoeken

Hoogwaterveiligheid ’s-Hertogenbosch, Crèvecoeur:

  • Verbinden van Maas-opgaven aan opgaven vanuit regionale watersystemen Aa en Dommel in samenhang met de ontwikkeling van natuur en cultuurhistorie.

De pilotprojecten dragen bij aan de werkwijze van IRM en versterken op die manier het integrale werken.

Langs de Maas is deze integraliteit voor de lopende projecten gevisualiseerd in een kaartbeeld. Kaart 1 is een uitsnede ter hoogte van Gennep.

Visualisatie integraliteit; uitsnede ter hoogte van Gennep
Kaart 1 Visualisatie integraliteit; uitsnede ter hoogte van Gennep (tekstuele beschrijving)

Hoe de gebiedsontwikkeling en de opgaven in de toekomst in beeld kunnen worden gebracht, laten onder andere de panorama’s van de Gelderse Rivieren zien. Het Panorama Maas (bedijkte Maas) staat ook op de website.

6.4.4 Ontwikkelingen

Rijn

Afvoerverdeling Rijntakken

In 2021 heeft het Expertisenetwerk Waterveiligheid (ENW) op verzoek van het ministerie van IenW een advies uitgebracht over het beleid ten aanzien van de afvoerverdeling bij extreem hoogwater en specifiek het onderdeel ‘Nederrijn-Lek ontzien’. Het ENW adviseert voorlopig de jaartallen 2050 en 2100 als indicatieve jaar­tallen te blijven gebruiken voor een mogelijke bijstelling van de regel­werken naar een Boven-Rijnafvoer van respectievelijk 17.000 m3/s en 18.000 m3/s, om zodoende de ontwerpers van water­keringen duidelijkheid te bieden. De uitgangspunten die in de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier zijn genoemd voor het beleid ‘Lek ontzien’ zijn volgens het ENW nog steeds geldig, maar hebben een andere context gekregen en zijn hierdoor niet doorslaggevend. Het ENW adviseert binnen de context van het programma IRM een breed vervolgonderzoek uit te voeren naar de voor de lange termijn maatschappelijk meest gewenste afvoerverdeling. De start van het vervolgonderzoek ­is voorzien in de kennis­agenda van IRM na het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario’s (schatting 2023, uitloop naar 2024). Op deze wijze is geborgd dat nieuwe kennis wordt mee­genomen in het vervolgonderzoek.

Bodemligging en afvoercapaciteit Rijntakken

In de systeembeschouwing, een van de bouwstenen van het programma IRM, is inzichtelijk gemaakt hoe de riviersystemen op dit moment functioneren en hoe het functioneren zich in de voorziene toekomst ontwikkelt. Uit het onderzoek zijn vier hoofdkeuzes en dilemma’s naar voren gekomen: 1) het herstel van de afvoerverdeling bij laagwater, 2) het omhoog brengen van de rivierbodem in de eroderende trajecten, 3) een langetermijnperspectief voor de afvoerverdeling bij hoogwater, en 4) vergroting van de afvoercapaciteit en verruiming van het rivierbed. Deze dilemma’s en keuzes worden meegenomen in het programma IRM. Specifiek voor de rivierbodemligging vinden er ook proeven en pilots plaats en wordt toegewerkt naar verschillende ingrepen en maatregelen, zoals aanleg van langsdammen, oever- en kribaanpassingen en sedimentsuppletie.

 

Zeespiegelstijging

Effecten van zeespiegelstijging zullen merkbaar zijn op de Rijn, vooral bij de Merwedes, Waal en Lek. Als het IJsselmeerpeil moet worden aangepast als gevolg van zeespiegelstijging, zullen de gevolgen ook merkbaar zijn in de IJssel-Vechtdelta. Hierbij is sprake van risicostapeling, omdat ook de rivierafvoeren zullen toenemen als gevolg van klimaatverandering en op langere termijn speelt ook de afvoerverdeling over de Rijntakken hierbij een rol. Voor dit vraagstuk zijn adaptatiepaden in ontwikkeling binnen het kennisprogramma Zeespiegelstijging, in gesprek met de regio Rijn.

Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater

Het bestuurlijk platform Rijn heeft kennisgenomen van het eerste advies van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater (zie paragraaf 2.3) en is bereid om de adviezen die (ook) relevant zijn voor de Rijntakken en de IJssel-Vechtdelta op te pakken. Het Bestuurlijk Platform heeft hierbij wel gevraagd in het eindadvies specifieker aandacht te besteden aan de doorvertaling van de lessen naar de Rijntakken en IJssel-Vechtdelta.

Internationaal

Nederland en Noordrijn-Westfalen hebben in 2019 een nieuwe gemeenschappelijke verklaring ondertekend voor de samenwerking op het gebied van duurzame hoogwater­bescherming. De partijen hebben in 2021 een nieuw werkprogramma voor de komende periode opgesteld. Ze zetten de samenwerking voort en zoeken naar mogelijk­heden deze te versterken. Ook werken ze verder aan verdere kennis­uitwisseling op het gebied van hoogwaterbeleid, de Richtlijn Overstromingsrisico’s, de grensoverschrijdende dijkringen en crisisbeheersing. Op 13 juni 2022 werd het Rijnsymposium georganiseerd met als thema ‘Grens­over­stijgend samenwerken aan klimaatadaptatie en water­beheer’. Klimaatverandering heeft ook in de grensregio een steeds grotere impact op het waterbeheer. Duitsland en Nederland hebben met dezelfde problemen te maken. Provincie Gelderland, Waterschap Rijn en IJssel, Waterschap Rivierenland en de Duitse overheden Bezirksregierung Münster en Bezirksregierung Düsseldorf willen beter anticiperen op de invloed die de aanpak in beide land op elkaar heeft door meer kennis en informatie uit te wisselen en intensievere bestuurlijke samenwerking.

Maas

De eerste vier van de onderstaande ontwikkelingen zijn een rechtstreeks gevolg van het hoogwater van de Maas in Limburg in juli 2021.

Urgentie van waterveiligheidsaanpak

Extreme neerslag in een gebied met de omvang van half Nederland leidde in juli 2021 tot zware overstromingen en wateroverlast in Limburg. Het water heeft leed en schade veroorzaakt bij bewoners, ondernemers en organisaties in het getroffen gebied. Deze situatie heeft de urgentie duidelijk gemaakt van het goed voorbereid zijn op extreme regenval. Naar verwachting zal dergelijke regenval in de toekomst vaker optreden als gevolg van klimaatverandering.

Samenhang van regionaal watersysteem en hoofdwatersysteem

In juli 2021 kenden de rivieren Geul, Gulp, Caumerbeek, Geleenbeek en Roer uitzonderlijk hoge piekafvoeren. Deze waren het gevolg van de dagenlange zware regenbuien in de stroomgebieden van Maas, Roer en in het Heuvelland. Ook de Maas kende hierbij een record-piekafvoer. Het samen­vallen van deze piekafvoeren heeft, naast de overstroming van de beken, geleid tot serieuze dreiging van overstroming van de dijken langs de Maas, onder meer in Maastricht, Venlo en Arcen. Waterveiligheidsmaatregelen houden tot nu toe onvoldoende rekening met deze hoeveelheden regenval in de zomer en het samenvallen van de piek­afvoeren van de Maas en de beken.

Meerlaagsveiligheid van toepassing op beken

Uit het eerste advies van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater blijkt dat onze watersystemen, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing niet zijn toegerust om water­overlast bij zulke extreme neerslag compleet te voorkomen - en dat zij dit ook redelijkerwijs niet kunnen worden. Voorkomen van overlast bij dergelijke extremen is dus niet altijd mogelijk, maar de schade, de maatschappelijke ontwrichting en ontreddering die hieruit volgen, zijn wel zoveel mogelijk te beperken. Dat vraagt naast preventiemaatregelen meer inzet op beperking van de gevolgen door ruimtelijke inrichting, bewustwording en crisisbeheersing. De voorliggende vraag aan de Beleidstafel is hoe deze meerlaagsveiligheidsbenadering toepasbaar is op de beken in Limburg.

Water en bodem als sturend principe

Water en bodem moeten sturend zijn in de ruimtelijke planvorming. Dat is zo afgesproken in het laatste coalitie­akkoord, maar het is lange tijd niet zo geweest. Vanuit een geloof in de maakbaarheid van het land, en geholpen door technologie, hebben mensen het landschap en de ondergrond in de afgelopen eeuwen volledig naar hun hand gezet. De gevolgen hiervan zijn niet langer te ontkennen: wateroverlast en overstromingen, verdroging en langdurige droogte, bodem- en waterverontreiniging, en biodiversiteits­verlies - dit alles nog eens versterkt door klimaatverandering. Om het tij te keren en op de lange termijn in het rivierengebied een duurzame, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving te creëren, dienen we weer te ‘luisteren’ naar wat de bodem en het water ‘ons te zeggen hebben’. Zoals de overstromingen in Zuid-Limburg in 2021 duidelijk maakten: het water neemt zijn ruimte als het ruimte nodig heeft. Door ruimtelijke keuzes af te stemmen op de staat en de kwaliteit van de ondergrond en de natuurlijke dynamiek van het water, komen we tot een klimaat­robuuste ruimtelijke inrichting - die in zichzelf veilig, mooi, betekenisvol en leefbaar is.

Stroomgebiedsbenadering vergt internationale afstemming

De regenval en het daaropvolgende hoogwater in Limburg in 2021 hebben ook duidelijk gemaakt dat het nodig is naar het gehele stroomgebied van de Maas te kijken. Aangezien dat voor een belangrijk deel in het buitenland ligt, is het zaak de internationale afstemming van de aanpak van hoogwater te verstevigen.

Zeespiegelstijging

Effecten van zeespiegelstijging zullen merkbaar zijn op de Maas tot aan het gebied rond Den Bosch. Hier is sprake van risicostapeling met het potentieel samenkomen van verhoogde bovenstroomse afvoer op de Maas, piekafvoeren van de zijrivieren De Aa en De Dommel en het effect van zeespiegelstijging. Op dit moment worden voor dit vraagstuk adaptatiepaden ontwikkeld.

Bodemerosie

De bodemerosieproblematiek in de rivieren vraagt direct aandacht en een gerichte aanpak. Rijkswaterstaat werkt aan een plan van aanpak en legt hierin ook de relatie met de beleidsontwikkeling binnen IRM omtrent rivierbodem­ligging en sedimenthuishouding.

Voor meer flexibiliteit in het zoeken naar oplossingen in het rivierengebied is het wenselijk ruimte te vergroten en meer te werken vanuit het hele systeem dan alleen binnen een scopegebied. Zo worden buitendijkse maatregelen momenteel binnen het scopegebied van een project gecompenseerd, wat niet altijd mogelijk of wenselijk is. Compensatie over het hele systeem zou de kansen aanzienlijk vergroten.

Werken met gebiedseigen grond

De projectoverstijgende verkenning Dijkversterking met Gebiedseigen Grond (POV-DGG) heeft duidelijk gemaakt dat hier grote verbeterkansen liggen om het transport en de emissies (CO2 en stikstof) tijdens projecten betekenisvol te reduceren. Hiermee wordt in de gebiedsgerichte aanpak langs de Maas nu ervaring opgedaan, onder meer door tracés slim te ontwerpen en ‘werk met werk te maken’.

Integraler werken

De komst van IRM geeft een extra impuls aan het integraal werken langs de Maas. Zes IRM-pilots langs de Maas bieden kansen voor het versterken van integraal werken. Het praktijknetwerk dat door IRM wordt opgestart, kan helpen de ervaringen uit de IRM-pilots te borgen in de nieuwe werkwijze ten aanzien van IRM.

6.5 Rijnmond-Drechtsteden/Zoetwaterregio West-Nederland

Na de herijking van de voorkeursstrategie in 2020 zijn de betrokken partijen in de regio Rijnmond-Drechtsteden eensgezind doorgegaan met de regionale uitvoering van het Deltaprogramma. Daarbij streven zij ernaar de aanpak van ruimtelijke opgaven te laten samenvallen met maatregelen die de regio waterveiliger en klimaatbestendiger maken. Denk aan rivierverruiming, dijkversterking en het borgen van de zoetwatervoorziening. Bij alle investeringen is dit meekoppelen een punt van aandacht, omdat gebiedsontwikkelingen voor lange duur plaatsvinden en efficiënte verbinding met de waterveiligheidsopgave behalve veiliger ook potentieel kosteneffectief is. Daarnaast verbetert een dergelijke integrale aanpak de leefbaarheid in het stedelijk gebied en daarbuiten.

6.5.1 Doel 2050: perspectief

Waterveiligheid

De waterveiligheid in Rijnmond-Drechtsteden blijft tot ver na 2050 geborgd door het stelsel van dijken en stormvloedkeringen. Het doel voor 2050 zoals geformuleerd voor waterveiligheid is daarmee dan ook haalbaar. De dijken en stormvloedkeringen worden twaalfjaarlijks beoordeeld en de bevindingen die hieruit volgen worden meegenomen in het beheer, het onderhoud en eventuele dijkversterkingsprojecten. De urgente trajecten worden als eerste opgepakt.
Uit de bevindingen blijkt, ook in combinatie met de huidige verwachting van de (snelheid van) zeespiegelstijging, dat de strategie van een afsluitbaar open watersysteem houdbaar zal zijn tot minimaal 2070. Daarnaast wordt gewerkt aan de lagen 2 en 3 van de meerlaagsveiligheid door onder andere ruimtelijke adaptatiestrategieën voor de dijkzones en buiten­dijkse gebieden, en door ontwikkeling van plannen voor crisisbeheersing.

Voor de periode na 2070 zullen grote keuzes nodig zijn met betrekking tot de te hanteren waterveiligheidsstrategie. Hiervoor treffen partijen nu al voorbereidingen en houden ze bij investeringen rekening met toekomstige opgaven: de korte termijn wordt gekoppeld aan de lange termijn. De aansluiting met het Kennisprogramma Zeespiegelstijging helpt bij het anticiperen op toekomstige keuzes. Zo onderzoekt het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden (DPRD) onder andere hoeveel rek er zit in het huidige systeem (met speciale aandacht voor de stormvloedkeringen) en welke oplossingsrichtingen denkbaar zijn voor de lange termijn met betrekking tot de waterveiligheidsstrategieën.

In de praktijk blijkt het lastig de planning van dijk­versterkingen te laten aansluiten bij andere ruimtelijke ontwikke­lingen. Dijkversterkingen vervroegen of uitstellen blijkt vaak niet haalbaar. Daarnaast laat het financieel kader het niet toe om de versterking van dijken die nog niet zijn afgekeurd en waar nu bijvoorbeeld woningbouw plaatsvindt, voor te financieren, terwijl bekend is dat deze dijken in de toekomst afgekeurd gaan worden.
Het wegnemen van deze moeilijkheden zou het gemakkelijker maken (toekomstige) andere opgaven te verbinden met de waterveiligheidsopgave.

Het is belangrijk de verschillende vragen naar ruimte - zowel vanuit de waterveiligheid, met maatregelen voor dijkversterking en rivierverruiming, als vanuit andere grote maatschappelijke opgaven, zoals de woningbouw - goed op elkaar te laten aansluiten. Zo wordt bij alle investeringen in het ruimtelijke domein rekening gehouden met de lange­termijn-waterveiligheidsopgave, aangezien gebiedsontwikkelingen voor lange duur plaatsvinden en een efficiënte verbinding met de waterveiligheidsopgave kosteneffectief is. Dit sluit aan bij het landelijke voor­nemen bodem en water sturend te maken bij ruimtelijke ont­wikke­lingen.

Zoetwater

De zoetwaterregio West-Nederland wil in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Voldoende water is cruciaal voor het in stand houden van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen. De regio zet in haar langetermijn­strategie in op drie pijlers om de weerbaarheid tegen droogte te vergroten: het optimaliseren van de aanvoer, de transitie naar alternatieve bronnen en het vergroten van de eigen robuustheid (zie paragraaf 6.5.2). Afhankelijk van nieuwe inzichten in effecten van klimaatverandering of een toenemende watervraag, kan de balans tussen de drie pijlers verschuiven naar het meer benutten van alternatieve bronnen (zoals brakwater of effluent), eventueel in combinatie met transities in onder meer de ruimtelijke inrichting. De grenzen van het huidige aanvoersysteem zijn immers in zicht. Aan een extra watervraag kan niet altijd zonder meer worden voldaan.
De zorgvuldige ontwikkeling en implementatie van de klimaatbestendige zoetwatervoorziening van het hoofd­watersysteem is voor de langetermijnstrategie cruciaal, waarbij het voor de regio belangrijk is dat de zoetwaterbeschikbaarheid niet afneemt. De hierboven genoemde aansluiting bij het Kennisprogramma Zeespiegelstijging is daarin een belangrijke factor.

Ruimtelijke Adaptatie

De ruimtelijke opgaven en toekomstambities zijn groot in dit drukke deel van Nederland. Met het oog op klimaatverandering en zeespiegelstijging, en ‘water en bodem als sturend principe’, is de langdurige houdbaarheid van ontwikkelingen een continu aandachtspunt. De provincie Zuid-Holland brengt in samenwerking met de water­schappen in Zuid-Holland de ruimtelijke strategieën in kaart die betrekking hebben op hoe om te gaan met investeringen in woningen, energie, infrastructuur en landgebruik. Het Convenant Klimaatadaptief Bouwen, dat de provincie Zuid-Holland heeft opgesteld, dient hierbij al als leidraad.
In het Noord-Hollandse deel van de zoetwaterregio West-Nederland worden de regionale ambities voor klimaatadaptatie meegenomen in de verstedelijkings­strategie van de Metropoolregio Amsterdam. De waterschappen, provincies, verreweg de meeste gemeenten en private partijen hebben gezamenlijk de intentieovereenkomst Klimaatadaptieve Nieuwbouw ondertekend: een totaalpakket aan voorschriften waar nieuwbouw binnen de Metropoolregio Amsterdam en de provincie Noord-Holland aan moet voldoen om klimaatbestendig te zijn, schade door het veranderende klimaat te verminderen en de leefbaarheid te vergroten.

6.5.2 Voortgang

Waterveiligheid

Waterschap Hollandse Delta ontwikkelde samen met de partners vanuit het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden een laagdrempelige Excel-tool: de ‘No Regret’ quick-scantool. Deze geeft inzicht in de overstromings­risico’s van buitendijkse gebieden door zeespiegelstijging. Daarnaast kan de tool beheerders en andere partijen helpen al vroeg in hun planontwikkeling de goede keuzes te maken rondom klimaatbestendig investeren. Zo kan de tool een bijdrage leveren aan weloverwogen gebiedsontwikkelingen en locatiekeuzes voor investeringen.

De ontwikkeling van gebiedsgerichte adaptatiestrategieën voor waterveiligheid voor het gehele Rotterdamse haven­gebied is afgerond. Voor de haven van Dordrecht is een waterveiligheidsanalyse opgesteld. In 2023 staat de verwerking en toepassing van deze adaptatiestrategieën centraal. Het Havenbedrijf en de gemeente Rotterdam gaan in gesprek met belanghebbenden (bedrijven, nutsbedrijven, infrabeheerders) over waterveiligheid in relatie tot hun buitendijkse locaties en hoe deze locaties voor 2050 klimaat­bestendig kunnen worden.

Adaptatiestrategie per gebied

Een projectteam ontwikkelt adaptatiestrategieën met betrekking tot waterveiligheid voor de Rotterdamse stedelijke (bewoonde) gebieden. Bij deze projecten zijn onder meer woningbouwverenigingen en nutsbedrijven betrokken. Inzet is om, aansluitend bij (de voorbereiding van) ruimtelijke ontwikkelingsplannen in en rond buitendijks gebied, ook een langetermijn-adaptatiestrategie per gebied te ontwikkelen in samenwerking met de verschillende betrokken stakeholders. In 2022 werkt het DPRD aan de adaptatie­strategieën voor de Kop van Feijenoord (zuidoever) en is een eerste verkenning uitgevoerd van de gecombineerde opgaven van ruimtelijke inrichting en waterveiligheid voor het gebied rond de Esch (noordoever) als bouwsteen voor een adaptatiestrategie voor dit buitendijkse gebied.

Naast Rotterdam en Dordrecht werkt het DPRD ook samen met de andere riviergemeenten om waterveiligheidsstrategieën te ontwikkelen voor hun buitendijkse gebieden. De ervaringen van Rotterdam (gemeente en Havenbedrijf) en Dordrecht worden actief gedeeld met andere rivier­gemeenten en deze gemeenten krijgen ondersteuning waar mogelijk.

Slimme investeringen

Een brede aanpak van de waterveiligheid Hollandsche IJssel is onderdeel van de voorkeursstrategie van het DPRD. Slimme investeringen in de betrouwbaarheid van de voorliggende stormvloedkering in de Hollandsche IJssel tussen Capelle en Krimpen kunnen een besparing opleveren van enkele tientallen miljoenen euro’s op de dijkversterking van het project Krachtige IJsseldijken Krimpenerwaard (KIJK) en wellicht ook op toekomstige trajecten. Hierdoor neemt ook de impact van de dijkversterking op de omgeving aanzienlijk af. De betrouwbaarheid van de stormvloedkering kan tot 2030 worden verhoogd naar 1:1.500 - 1:2.000. Eind 2022 wordt een besluit genomen over het definitief ontwerp voor de dijkversterking.

Samenwerking goed geregeld

In 2021 hebben nagenoeg alle veiligheidsregio’s in de regio Rijnmond-Drechtsteden de impactanalyses en evacuatie­strategieën opgeleverd. De evacuatiestrategieën van de verschillende veiligheidsregio’s worden in 2022 boven­regionaal verder uitgewerkt. Dit is van belang omdat de effecten van een (dreigende) overstroming niet stoppen bij de grens van een veiligheidsregio.

In de zomer van 2023 staat er weer een gebiedsconferentie Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden op de agenda. De gebiedsconferentie van 2021, gehouden in hybride vorm, was een succes met scherpe en prikkelende discussies en ruim 150 deelnemers.

De samenwerking binnen het DPRD is goed geregeld. De partners weten elkaar goed te vinden en de projectuitvoering vindt plaats in verschillende samenstellingen van partners. Het programmateam is een verbindende factor en zorgt voor samenhang, kennisdeling en monitoring.
Daarnaast draagt het DPRD actief bij aan het Kennis­programma Zeespiegelstijging. De nadruk ligt daarbij op het in beeld brengen van de effecten van zeespiegelstijging op de voorkeursstrategie en wanneer daarin systeem­besluiten nodig zijn, en vooral op de functies in het gebied. Denk daarbij aan buitendijkse gebieden, de woningbouw aldaar, de Rotterdamse haven en de natuur. In de regio Rijnmond-Drechtsteden zijn voorlopig geen grote systeembesluiten nodig. In de huidige voorkeursstrategie staat rond 2040 een bovenregionale systeemanalyse gepland, specifiek gericht op vervanging van de Maeslantkering na 2070. De uitkomsten van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging kunnen de start van deze analyse echter nog beïnvloeden.

Zoetwater

De zoetwaterregio West-Nederland heeft in 2021 een strategie en maatregelenpakket vastgesteld voor de tweede fase van het Deltaplan Zoetwater, die loopt van 2022-2027. De strategie is een verbreding ten opzichte van de eerste fase (2015-2021), waarin het vergroten van de aanvoer van zoetwater het belangrijkste onderdeel was. De vernieuwde strategie zet in op drie pijlers:

  • Het optimaliseren van de aanvoer; een strategie die zich in de droge zomer van 2018 heeft bewezen en waarmee de regio tevens bijdraagt aan de nationale strategie voor de klimaatbestendige wateraanvoer via het hoofdwater­­systeem.
  • Een transitie naar alternatieve bronnen, waarbij onder andere wordt ingezet op innovatief gebruik van de ondergrond en hergebruik van effluent.
  • Het vergroten van de eigen robuustheid, waardoor het regionaal watersysteem minder afhankelijk is van aanvoer en doorspoeling. Denk hierbij aan beter vasthouden van water, flexibel peilbeheer en aan het meewegen van waterbeschikbaarheid in de ruimtelijke inrichting.
  • Een van de maatregelen is al gestart: een pilot uit het COASTAR-programma, waarin drinkwaterbedrijf Dunea de zoetwaterbel onder de duinen vergroot door eronder brak water te onttrekken. Het onttrokken brakke water wordt gezuiverd tot drinkwater en de buffercapaciteit onder de duinen wordt zo vergroot.

De zoetwaterregio West-Nederland heeft bijgedragen aan de verkenning en verdere uitwerking van de nationale strategie voor de klimaatbestendige wateraanvoer via het hoofdwatersysteem. De strategie heeft voor- en nadelen die binnen de regio ongelijk verdeeld zijn: zonder aanvullende maatregelen zal de zoetwaterbeschikbaarheid in een deel van de regio afnemen door toenemende verzilting van de Rijn-Maasmonding. Zonder compenserende maatregelen zal hierdoor (economische) schade ontstaan en neemt de robuustheid van de zoetwaterbeschikbaarheid af. De regio werkt actief mee aan het lerend implementeren van de strategie.

Naast de voorbereiding van de tweede fase zijn maatregelen uit de eerste fase nog in uitvoering. De automatisering van de inlaatsluis Spijkenisse is in 2021 afgerond. Ook wordt gewerkt aan de uitbreiding van de capaciteit van de klimaat­­bestendige wateraanvoer (KWA), die in 2024 wordt opgeleverd. Begin 2022 is gestart met de uitvoering van de deelprojecten Polsbroek en Enkele Wiericke.

Ook met eigen middelen

Behalve de grote projecten uit het Deltaplan Zoetwater werken de partijen in de zoetwaterregio West-Nederland ook met eigen middelen aan het vergroten van de weerbaarheid tegen watertekort. De waterschappen doen dat bijvoorbeeld door in te zetten op flexibel peilbeheer, slimmer doorspoelen en automatisering van het peilbeheer. De drinkwaterbedrijven verkennen nieuwe bronnen voor drinkwaterproductie.

Net als alle andere zoetwaterregio’s heeft West-Nederland een regionale uitwerking gegeven aan de verdringingsreeks van functies ten tijde van watertekort, conform het advies van de Beleidstafel Droogte. Deze uitwerking komt beschikbaar als bijlage bij het draaiboek van het Regionaal Droogte Overleg.

Ruimtelijke adaptatie

Mede door de aanpak van de provincie met het programma ‘Weerkrachtig Zuid-Holland’ is het afgelopen jaar zowel binnen de eigen organisatie als bij de externe partners het gevoel van urgentie rond klimaatverandering toegenomen. De inspanningen en initiatieven die de Provincie op dit gebied in gang zet, worden gewaardeerd. Dit blijkt onder andere uit de nominatie van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen als Overheidsinnovatie van het jaar. De producten, onderzoeken, tools en instrumentaria die de provincie ontwikkelt, worden door partijen in Zuid-Holland, maar ook landelijk breed, aangehaald en verder toegepast. Rekening houden met de effecten van klimaatverandering in al het beleid en gezamenlijk handelen van publieke en private partijen in Zuid-Holland wordt zo steeds meer ‘het nieuwe normaal’.

Resultaten uit de regio

Enkele mooie resultaten uit de werkregio’s: de gemeente Leiden heeft onderzocht wat de kosten zijn van het mee­koppelen van klimaatadaptatie bij rioleringswerkzaam­heden. Dit leidt tot bruikbare kengetallen voor gemeenten die dergelijke projecten willen begroten. De gemeente Nissewaard heeft een onderzoek afgerond naar effectieve interventie-momenten om particuliere huiseigenaren te stimuleren tot het nemen van klimaatadaptatiemaat­regelen. De gemeente Vlaardingen organiseert ‘meekoppel­ateliers’, waarin voor werkzaamheden op specifieke locaties alle uitvoerende partijen (bijvoorbeeld de gemeente, de woningcorporatie, het drinkwaterbedrijf) worden uitgenodigd om meekoppelkansen te verkennen.

Meerdere werkregio’s hebben hun eerste aanvraag voor de impulsregeling Klimaatadaptatie in 2021 ingediend en toegekend gekregen. De overige regio’s zijn klaar voor het indienen van hun eerste aanvraag in 2022.

In het Noord-Hollandse deel van de zoetwaterregio West-Nederland worden veel resultaten bereikt binnen het gebiedsprogramma van de Metropoolregio Amsterdam. Ook de werkregio’s hebben vrijwel allemaal uitvoerings­programma’s vastgesteld en zijn bezig met het uitvoeren ervan. Daarnaast wordt klimaatadaptatie meegenomen in diverse gebiedsprogramma’s die er raakvlakken mee hebben, zoals het project Binnenduinrand, de Regionale Veenweidestrategie, het aanwijzen van het Noordzee­kanaalgebied als NOVI-gebied in het kader van de Nationale Omgevingsvisie, en het project Laag Holland. Ook in regioverband wordt klimaatadaptatie ter hand genomen: zo is de regio Gooi en Vechtstreek klimaatadaptatie aan het verbinden aan de opgave voor de gezonde leefomgeving en wordt klimaatadaptatie meegenomen in de gebieds­afspraken van de woonakkoorden. Het thema gevolg­beperking overstroming is in Amsterdam concreter uitgewerkt en maakt onderdeel uit van een toolbox voor gebiedsontwikkeling, als resultaat van de Thematische studie waterveiligheid Amsterdam.

6.5.3 Verbinding

Waterveiligheid

Vanuit de gedachte van samenhang en verbinding is in het voorjaar van 2022 besloten actiever verbinding te leggen met twee thema’s uit het Deltaprogramma: zoetwater en ruimtelijke adaptatie, en met externe ontwikkelingen zoals woningbouw, de energietransitie, bodemdaling en natuurontwikkeling. DPRD gaat daarvoor ambtelijk én bestuurlijk in gesprek met vertegenwoordigers van deze thema’s over de raakvlakken en koppelkansen.
Bij dijkversterkingen zoekt het DPRD actief naar meekoppel­kansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan is de kansenkaart die is opgesteld voor het gebied Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en die de betrokken partijen samen jaarlijks actualiseren.

Bij de inrichting van rivieroevers zijn natuurontwikkeling en recreatie primaire doelstellingen van gebiedsbeheerders en maatschappelijke partijen. Hierbij nemen zij op hun beurt ook de mogelijke bijdrage door de natuur aan de water­veiligheid mee (bijvoorbeeld in het kader van het programma Rivier als Getijdenpark).

Zoetwater

De zoetwaterregio West-Nederland houdt nadrukkelijk rekening met andere opgaven en ontwikkelingen die van invloed zijn op de watervraag. Voorbeelden zijn de toename van de drinkwatervraag, maatregelen om bodemdaling tegen te gaan, vernatting van veenweidegebieden, actief grondwaterpeilbeheer in steden, beperking van hittestress en kansen voor de natuur. Ook hiervoor geldt dat de grenzen van het aanvoersysteem in zicht zijn en toename van een watervraag niet altijd zonder meer gefaciliteerd kan worden.
Vanzelfsprekend is het ook van belang dat zoetwater­aspecten ingang vinden in meer integrale trajecten, zoals de ontwikkeling van omgevingsvisies of gebiedsprocessen. Dit loopt via de betrokken overheden zelf, onder andere door de inbreng van kennis uit de zoetwaterregio in de stresstesten en gebiedsprocessen voor ruimtelijke adaptatie.

Ruimtelijke adaptatie

In de context van zoetwaterbeschikbaarheid zijn in Zuid-Holland vooral de volgende drie thema’s van belang: bodem­daling in stedelijk gebied, peilverhoging in veenweiden, en verzilting in met name de westelijke kustgebieden. Op al deze terreinen hangt het verminderen van de kwetsbaarheden sterk samen met enerzijds zoetwaterbeschikbaarheid en anderzijds bergingscapaciteit ter voorkoming van wateroverlast.
Waterveiligheid is een aandachtspunt bij het aanwijzen van nieuwe woningbouwlocaties. In Zuid-Holland komen er twee nieuwe grote woningbouwlocaties bij (Zuidplas en Valkenhorst bij Katwijk), die zo klimaatadaptief mogelijk worden vormgegeven. In 2022 worden nieuwe ruimtelijke strategieën ontwikkeld. Een belangrijk onderdeel daarvan is overstromingsrisico’s en de (kosten voor) waterveiligheid meenemen bij het maken van keuzes over eventuele nieuwe toekomstige locaties voor woningbouw of andere investeringen.

Klimaatadaptatie koppelen aan andere opgaven

In het Noord-Hollandse deel van de zoetwaterregio West-Nederland wordt klimaatadaptatie gekoppeld aan andere opgaven, zowel op provinciaal- als op gebieds­niveau. De verstedelijkingsstrategie van de Metropoolregio Amsterdam is hiervan een voorbeeld. Daarbij wordt de complexe gebiedsopgave in samenhang beschouwd, wat resulteert in een integrale gebiedsbenadering. Er wordt nauw samengewerkt met publieke en private partijen. Lokaal maatwerk is nodig, ook om te zien hoe bij het werken aan klimaatadaptatie andere gebiedskenmerken en opgaven kunnen worden meegenomen. De intentie­overeenkomst Klimaatadaptieve Nieuwbouw van de Metropoolregio Amsterdam heeft een generiek karakter, maar zal in aangepaste vorm op lokaal niveau worden ingezet. In de regio Gooi en Vechtstreek wordt de klimaatadaptatie-opgave verbonden aan het beleid voor een gezonde leefomgeving. De gemeente Amsterdam combineert op steeds meer plekken in de stad geplande herinrichting of groot onderhoud met innovaties voor klimaatadaptieve straten. Een voorbeeld is de gerealiseerde 10.000 m2 aan blauwgroene daken op met name sociale woningbouw. Dit betrof het door de Europese Unie ondersteunde Resilio-project, dat begin 2022 werd afgerond.

6.5.4 Ontwikkelingen

Waterveiligheid

De belangrijkste ontwikkeling voor de regio Rijnmond-Drechtsteden is de verwachte zeespiegelstijging. In 2023 zal het KNMI nieuwe klimaatscenario’s uitbrengen. Naast zeespiegelstijging speelt voor sommige gebieden ook bodemdaling een rol, evenals de verandering van rivierafvoeren.
Binnen de regio Rijnmond-Drechtsteden speelt een grote woningbouwopgave. De uitdaging daarbij is om deze woning­bouwopgave klimaatadaptief in te vullen. Rijnmond-Drechtsteden zet zich er actief voor in om voor gebieds­ontwikkelingen de juiste kaders en randvoorwaarden te scheppen. Belangrijke instrumenten hierbij zijn de gemeentelijke en provinciale omgevingsvisies en de watertoets.

Zoetwater

De zeespiegelstijging heeft ook een belangrijke invloed op de beschikbaarheid van zoetwater. Zeespiegelstijging leidt namelijk tot een toename van de zoute kwel, waardoor de watervraag voor doorspoeling toeneemt. Daarnaast trekt zeewater verder de rivier op, waardoor inlaatpunten vaker verzilten. Op de lange termijn komen daar de mogelijke veranderingen van het afvoerpatroon van de grote rivieren nog bij.

Ruimtelijke adaptatie

Het meest recente IPCC-rapport laat opnieuw zien dat de snelheid waarmee klimaatverandering en zeespiegel­stijging doorzetten, verrassend hoog is. De impact daarvan op de economische groei en ambities in Zuid-Holland voor de lange termijn zal steeds meer aandacht krijgen. In het Noord-Hollandse deel van de regio West-Nederland wordt hier binnen verschillende initiatieven op geanticipeerd. Hierbij ligt de focus niet alleen op maatregelen in de (water-)infrastructuur, maar juist ook op maatregelen in de ruimtelijke ordening. Het programma Toekomst­bestendig Watersysteem Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzee­kanaalgebied (ARK/NZ) speelt hierin een belangrijke rol; zie ook paragraaf 6.1.

6.6 Zuidwestelijke Delta

De Zuidwestelijke Delta kent een aantal complexe opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke inrichting. Er wordt door partners gewerkt om in 2050 de eerste klimaatbestendige regio ter wereld te zijn. Er worden dijkversterkingen voorbereid, waarbij duurzame en herbruikbare materialen worden gebruikt. De beschikbaarheid van zoetwater (balans tussen vraag en aanbod) wordt verder geoptimaliseerd, ook in Zeeuws gebied zonder aanvoermogelijkheden. Opschaling van lokale pilots naar gebiedsniveau is voor de komende vijf tot tien jaar belangrijk om de totale doelstelling voor het gebied te gaan behalen.

6.6.1 Doel 2050: perspectief

De uitvoering van de huidige voorkeurstrategie verloopt volgens planning. Samen met partners wordt al enkele decennia gewerkt aan het integrale einddoel ‘veilig en klimaatbestendig, ecologisch veerkrachtig en economisch vitaal’. De bestuurlijke ambitie vanuit het deelprogramma Zuidwestelijke Delta voor 2050 geeft de uitvoering een extra impuls. De komende vijf tot tien jaar dragen bestaande projecten en programma’s bij aan het implementeren van het doel.

Het doel is realistisch en haalbaar. Er is bestuurlijke ambitie en er zijn in de afgelopen decennia ervaringen opgedaan in de vorm van pilots en living labs. Per deelgebied ligt er op de korte termijn een overzichtelijke opgave. Daarnaast is er een netwerk opgebouwd dat is gericht op samenwerking. Dit netwerk biedt een solide basis om ook de opgaven op de lange termijn, die het gevolg zijn van klimaatverandering, integraal aan te pakken.

Opschaling

De komende vijf tot tien jaar vindt opschaling plaats in de gehele Zuidwestelijke Delta, waarbij alle opgedane ervaringen en ontwikkelingen in het gebied worden meegenomen. Bestaande conceptuele denkrichtingen worden op lokaal niveau praktisch ingevuld, om zo de omvang en snelheid van de opschaling te kunnen bepalen. Een voorbeeld hiervan is de Broedplaats Schouwen-Duiveland, onderdeel van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland. De netwerkorganisatie Living Lab Schouwen-Duiveland zoekt nieuwe, innovatieve op­lossingen voor complexe uitdagingen op het gebied van water, voedsel, onderwijs en bestuur. Er wordt samengewerkt met onderwijsinstellingen, ondernemers, overheden, onderzoeksinstituten en inwoners. Innovatieve oplossingen worden getoetst in de praktijk, op weg naar een circulaire economie in Schouwen-Duiveland. Door tot 2030 iteratie te doorlopen van huidig onderzoek naar livinglabs op lokaal niveau (bijvoorbeeld naar de haalbaarheid van zoetwateropslag in de bodem) richting grootschaliger toepassing op eilandniveau, kan uiteindelijk in de periode 2030-2050 gewerkt worden aan opschaling in de hele Zuidwestelijke Delta.

Tegenstrijdige belangen

In de te behalen doelen en in de aanpak is sprake van tegenstrijdige belangen, vanwege de uiteenlopende belangen van de deelnemende partners in het gebied. Vertrouwen, draagvlak en gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn belangrijke uitgangspunten gebleken voor het omgaan met tegenstrijdige belangen. Een aandachtspunt is om ervoor te zorgen dat initiatieven niet in de onderzoeksfase blijven hangen, waardoor ze niet tot besluitvorming voor concrete toepassing en uitvoering leiden. Een belangrijke succesfactor is dat bestuurders voorbij hun eigen belang kunnen kijken en daarover met hun achterban besluiten kunnen en durven nemen.

Behalve het bovenstaande is een goede balans tussen investeringen door het Rijk en regionale investeringen nodig. Een andere succesfactor is kansen zoeken voor alle belanghebbende partijen en rekening houden met de tegenstrijdige belangen binnen de integrale aanpak. Maatwerk per deelgebied en uitwisselbaarheid van belangen kunnen hierbij sleutelfactoren zijn. Zo hebben vijf regionale partijen de handen ineengeslagen om binnen het project Water tussen Wal en Schelde samen te zoeken naar de mogelijkheden om het zoetwater dat nu nog bij Bath in de Westerschelde stroomt nuttig te gaan gebruiken. Hierbij realiseren de partijen zich dat het niet gaat om een verdeling van het water tussen verschillende partijen, maar om het optimaal inzetten van het water om aan de gezamen­lijke maatschappelijke doelen in de regio te kunnen voldoen.

Wateropgave en andere uitdagingen

De betrokken bestuurders hebben een grote invloed op de besluitvorming over de toekomst van de Zuidwestelijke Delta. Het is goed om ons te realiseren dat de wateropgave deel uitmaakt van een verzameling grote opgaven op het terrein van voedselproductie, klimaat, waterveiligheid, circulaire economie, biodiversiteit en energie. Deze uitdagingen vragen om een samenhangende, gebiedsspecifieke benadering van onder meer de landbouw, de natuur en de kwaliteit van de leefomgeving. Binnen deze benadering werken bestuurslagen samen, met elkaar en met andere maatschappelijke partijen. Het Rijk, provincies, gemeenten en de waterschappen hebben de handen ineengeslagen in de vorm van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland.

In de Zuidwestelijke Delta wordt het landelijk gebied voor landbouw, natuur en toerisme opnieuw ingericht. Hiervoor zijn keuzes noodzakelijk op nationaal en regionaal niveau, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening. Aandachtspunt is dat adaptief deltamanagement niet mag doorslaan in terughoudendheid, die wordt veroorzaakt doordat nog niet alle benodigde kennis aanwezig is. Er zal meer met onafhankelijke adviescommissies en community’s worden samengewerkt om op elkaar aangewezen of samenwerkende partijen op de juiste manier keuzes te laten maken. Participatie door jongere generaties en ook ondernemers is een must om goed in te kunnen spelen op hun toekomst.

6.6.2 Voortgang

Algemeen

De Zuidwestelijke Delta heeft als ambitie om in 2050 de eerste klimaatbestendige regio ter wereld te zijn. Daar werken partijen in de regio in gezamenlijkheid aan. Om die ambitie waar te kunnen maken is een samenwerkingsovereenkomst ondertekend, met een borging van inzet en middelen van de partners tot en met 2027. Er is een programmateam met een onafhankelijke programma­manager opgestart en een uitvoeringsprogramma voor 2022 vastgelegd. Deze stappen leiden tot de verandering van een organisatie die vooral is gericht op processen en overleg naar een meer resultaatgerichte organisatie.

Illustratie ‘Werk ambitieus verder in ons icoongebied, voor de klimaatbestendige Delta van morgen’
Figuur 13 Illustratie ‘Werk ambitieus verder in ons icoongebied, voor de klimaatbestendige Delta van morgen’ (tekstuele beschrijving)

Waterveiligheid

In het kader van de uitvoering van het Hoogwater­beschermings­programma zijn diverse dijkversterkingen in voorbereiding. In de provincie Zeeland gaat het om dijkversterkingen ter plaatse van Hansweert, Sint Annaland en in het dijkvak gelegen tussen Hansweert en de kern­centrale Borssele. De dijkversterking bij Hansweert is complex, omdat deze in het dorp ligt ingeklemd tussen de bebouwde kom van Hansweert en een buitendijks gelegen bedrijf. Er is weinig ruimte voor het inpassen van de versterking. De omgeving is continu meegenomen in het proces; bewoners dachten mee over verschillende voorkeursvarianten en hebben tijdens inwonersavonden en dijkexcursies wensen en ideeën ingebracht. Die zijn opgenomen in de betreffende planproducten. Het gaat onder andere om aanpassing van voetbalvelden, verbetering van de verkeersveiligheid en de inrichting van een gedeelte van de dijk als wandel­boulevard.

In het Noord-Brabantse deel van de Zuidwestelijke Delta voldoen de trajecten Willemstad-Noordschans, Moerdijk-Drimmelen, de Standhazensedijk en de trajecten tussen Geertruidenberg en Oosterhout nog niet aan de nieuwe wettelijke norm voor 2050. De verbetermaatregelen voor deze trajecten worden nu voorbereid. Vooral de verbetering van het traject tussen Geertruidenberg en Oosterhout is complex. Hier zijn, in een bebouwde omgeving, vele tientallen kilometers aan waterkeringen aanwezig die verbeterd moeten worden, waaronder veel constructies. Bij de ontwikkeling van alternatieven zal daarom ook gekeken worden naar de mogelijkheden voor de aanleg van keermiddelen in de Amertak en Donge, waarmee mogelijk de noodzaak van verbeteringen aan de bestaande waterkering voorkomen kan worden.

Duurzame en herbruikbare materialen

Voor de versterking bij Hansweert en ook bij toekomstige dijkversterkingen worden voor een deel duurzame en herbruikbare materialen gebruikt. Bij een proef bij Hansweert wordt geprobeerd om voor de steenbekleding van de dijk zetstenen uit baggerspecie te maken. De aan­nemer draagt bij aan duurzaam bouwen door materialen die bij het werk vrijkomen niet af te voeren, maar opnieuw in te zetten. Bijkomend voordeel is dat er minder transport nodig is, wat belangrijk is voor vermindering van de stikstofbelasting. Verder zet de aannemer ook in op zo kort mogelijke transportroutes.

Beoordeling dijktrajecten

De waterschappen en Rijkswaterstaat hebben in 2021 een groot deel van de dijktrajecten beoordeeld en ronden die beoordeling in 2022 af. Op basis van de eerste resultaten is geconcludeerd dat als gevolg van nieuwe normering en toepassing van het nieuwe wettelijk beoordelings­instrumentarium boven op de huidige dijkversterkingen een nieuwe bijkomende opgave ontstaat. Die opgave zal vóór 2050 moeten worden uitgevoerd. Op basis van de visie van de gezamenlijke waterschappen op waterveiligheid worden de gevolgen voor de Zuidwestelijke Delta in 2022 en 2023 in beeld gebracht.

Zoetwater

2021 was het laatste jaar van een traject voor de planperiode tot en met 2027 van het Deltaprogramma waarin werd toegewerkt naar een pakket van maatregelen met regionale bijdragen. Dit gebeurde op basis van een eerder bepaalde bestuurlijke ambitie. In 2021 en 2022 zijn in de regio plannen ontwikkeld voor het uitvoeren van maatregelen die uitgaan van het behoud van het Volkerak-Zoommeer als regionale zoetwaterbuffer en voor het verder optimaliseren van de zoetwaterbeschikbaarheid in de regio. Daarmee wordt aangesloten bij het kabinetsbeleid ter uitvoering van de motie Stoffer[2].
Belangrijke onderdelen uit het maatregelpakket voor de planperiode tot eind 2021 waren de realisatie van zoetwater­aanvoer via de Roode Vaart en de Proeftuin Zoet Water in Zeeland. Op 3 mei 2022 is de inlaatvoorziening bij de Roode Vaart officieel in gebruik genomen. Hiermee kan West-Brabant worden voorzien van extra zoetwater vanuit het Hollands Diep. De voorziening is voldoende robuust om in de toekomst, indien gewenst, ook Tholen en Sint Philipsland van zoetwater te voorzien. Dit laat onverlet dat ook gewerkt wordt aan het beperken van de watervraag en het opslaan van gebiedseigen water.

Proeftuin Zoet Water Zeeland

De Proeftuin Zoet Water Zeeland is een programma waarbij met verschillende maatregelen wordt geëxperimenteerd om in Zeeuws gebied zonder aanvoermogelijkheden de balans tussen vraag en aanbod van zoetwater beter in balans te brengen. In de afgelopen periode heeft hierbij het zwaartepunt gelegen op het uitdenken en beproeven van methodieken voor de specifieke Zeeuwse situatie. In de komende planperiode zal het zwaartepunt verschuiven naar de mogelijke opschaling van die methodieken. Zo werken binnen de Waterhouderij Walcheren agrariërs (water­gebruikers) sinds 2010 nauw samen met de overheden en externe organisaties (Aequator Groen & Ruimte, Deltares, ZLTO en Hogeschool Zeeland) om meer zelfvoorzienend te worden in hun watervraag. Dit doen ze door zoete en zoute stromen in het gebied niet te laten mengen en door het zoete water op te slaan in de ondergrond en in een bassin. Daarnaast is de bodem weerbaarder gemaakt tegen droogte door gericht de biodiversiteit - en daarmee ook de vochtcapaciteit - te verhogen. In 2022 start een nieuwe fase waarin twee nieuwe ondergrondse zoetwaterbellen worden aangelegd. De daarvoor benodigde extra retentie van zoet oppervlakte­water wordt gerealiseerd door natuurvriendelijke verbreding van bestaande waterlopen. Als gevolg daarvan verbetert ook de waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) door vermindering van de af- en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlakte- en grondwater. De maatregelen vereisen draagvlak in de streek. Daarom gaat in de nieuwe fase veel aandacht uit naar transparantie over het effect van de maatregelen door communicatie over de monitoringsresultaten naar de belanghebbenden in het gebied. Net als in eerdere fasen van het project wordt na afloop de kennis over de samenwerking in het project uitgedragen om het concept ook in andere gebieden op gang te brengen.

Project Water tussen Wal en Schelde

Een belangrijk nieuw project betreft het (nuttig) gebruik van het afstromend water aan de voet van de Brabantse Wal[3]. Hiervoor is in 2021 een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden en kansen. In 2022 en 2023 worden aanvullende studies uitgevoerd die de haalbaarheid van gesignaleerde projecten in kaart moeten brengen. Op 3 mei 2022 zijn minister Harbers en deltacommissaris Glas in het gebied ontvangen voor een werkbezoek, waarbij ze op de hoogte zijn gebracht van de kansen en het belang van vervolgonderzoek.

Ruimtelijke adaptatie Zeeland

De strategie om de gevolgen van klimaatverandering voor de Zuidwestelijke Delta op te vangen, is vastgelegd in de Klimaatadaptatiestrategie voor Zeeland (KASZ). Deze is ontwikkeld door de gezamenlijke overheden, waarbij de gemeentelijke klimaatadaptatiestrategieën en de klimaatadaptatiestrategie van Waterschap Scheldestromen als bouwstenen hebben gediend. Hieraan gekoppeld is een gezamenlijk uitvoeringsprogramma ontwikkeld en een zesjarig uitvoeringsconvenant KASZ afgesloten. Voortgang voor het westelijk deel van Noord-Brabant wordt gerapporteerd via de werkregio Waterkring West, als onderdeel van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.

6.6.3 Verbinding

Om het integrale einddoel voor de Zuidwestelijke Delta, zoals genoemd in paragraaf 6.6.1, in 2050 te realiseren wordt aansluiting gezocht met de handelingsperspectieven in de Gebiedsagenda 2050. Het in paragraaf 6.6.1 genoemde initiatief voor het gebruik van afstromend water aan de voet van de Brabantse Wal is een voorbeeld van hoe dit opgepakt kan worden. In de Gebiedsagenda 2050 wordt de koppeling met de nationale opgaven opgenomen in de Omgevingsagenda Zuidwest, alsmede de klimaatopgaven die worden uitgewerkt in het Kennisprogramma Zeespiegel­stijging. Het gaat dan onder andere over natuuropgaven, de energietransitie, de woningbouwopgave en de landbouw­transitie. Binnen de inrichting van het landelijk gebied moet plaats zijn voor recreatie, ruimtelijke kwaliteit en natuurbeleving.

Bouwstenen

Voorgaande aspecten zijn de bouwstenen voor de ontwikkeling van een klimaatbestendige, adaptieve en flexibele strategie voor de korte termijn, waarbij wordt geanticipeerd op een onzeker toekomstperspectief voor de lange termijn. Binnen het Kennisprogramma Zeespiegelstijging worden de houdbaarheid en oprekbaar­heid van de huidige voorkeurstrategie onderzocht en wordt de koppeling gelegd met de landelijke en regionale langetermijnopgaven voor na 2050. Ook andere verwante programma’s zullen in de uitwerking worden meegenomen, zoals het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland, waarvan de ervaringen worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk Gebied, de Regionale Energiestrategieën van de provincies, de Programmatische Aanpak Grote Wateren, het onderzoeksprogramma van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) en het Vlaamse project Kustvisie.

Een ander voorbeeld van verbinding zoeken met bestaande programma’s en netwerken is die met het samenwerkingsverband Waterpoort. Daarbinnen werken alle partijen rondom het Volkerak-Zoommeer samen aan de thema’s water, klimaat, natuur en recreatie. De kracht van deze samenwerking ligt onder andere in het concreet en uitvoerbaar maken van de grote opgaven in het gebied. Ook met het internationale samenwerkingsverband Geopark Schelde Delta Geopark Schelde Delta- Aspiring Unseco Global Geopark wordt samengewerkt, met name bij het vergroten van de bewustwording en kennisontwikkeling rond het thema klimaatverandering en de effecten ervan op het gebied. In 2023 wordt ernaar toegewerkt om met zowel Waterpoort als het Geopark Schelde Delta tot concrete uitvoeringsvoorstellen te komen.

Goeree-Overflakkee

De gemeente Goeree-Overflakkee adviseert en ondersteunt inwoners op het gebied van duurzaamheid, via het traject Klimaatkrachtig Goeree-Overflakkee. Het gaat om verschillende duurzaamheidsambities: zowel klimaatadaptatie als de uitwerking van regionale energiestrategieën en de Transitievisie Warmte. Er wordt momenteel onderzoek verricht op welke wijze klimaatbestendig bouwen geïntegreerd kan worden in het gemeentelijke beleid. Op de kop van Goeree-Overflakkee wordt in het kader van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Zuidwestelijke Delta in samenwerking met onder andere LTO Noord onderzoek gedaan naar hoe in de zomer voldoende zoetwater­beschikbaarheid gerealiseerd kan worden. Het waterschap is hierbij verantwoordelijk voor het wegen van de belangen van de verschillende partijen in het gebied. Door verbreding van het vraagstuk naar andere opgaven in het gebied, en dus niet alleen naar de zoetwaterbeschikbaarheid te kijken, zijn de losse opgaven vaak niet meer onafhankelijk van elkaar te zien. Dit vraagt om meer samenhangend onderzoek en programmering op gebiedsniveau.

6.6.4 Ontwikkelingen

Om besluiten voor de toekomst te kunnen nemen, is specifieke en wetenschappelijke kennis nodig over de impact van zeespiegelstijging en klimaatverandering. Om die reden en ter ondersteuning van de integrale gebiedsvraagstukken, wordt binnen de Zuidwestelijke Delta in aanloop naar de herijking van het Deltaprogramma 2027 gewerkt aan een integrale kennis- en innovatieagenda. In de Gebiedsagenda is geconstateerd dat deze kennis- en innovatieagenda goed moet worden afgestemd met landelijke kennis- en onderzoeksprogramma’s, zoals het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (met name spoor II en IV), het Hoogwaterbeschermingsprogramma en de Programmatische Aanpak Grote Wateren.

Kennis binnen kennis- en innovatieagenda

Voor de aanpak van kennis binnen deze kennis- en innovatieagenda is samen met Deltares een methodiek ontwikkeld. Daarmee kan op een gestructureerde wijze inzicht verkregen worden in de complexe integrale (gebieds)vraagstukken voor de korte, middellange en lange termijn. De volgende stap in 2022 en 2023 is het samen met partners implementeren van deze nieuwe aanpak in het werkproces van de kennisaanpak voor de Zuidwestelijke Delta. Er wordt nog onderzocht of de kennisaanpak in de Zuidwestelijke Delta inhoudelijk en organisatorisch verbonden kan worden met het Delta Climate Centre in oprichting.

De huidige strategie kan indien nodig op onderdelen aan­gepast worden. Zo kan in stappen adaptief worden toegewerkt naar mogelijke grote veranderingen na 2050, met als doel dat met iedere schop in de grond toegewerkt wordt naar een klimaatbestendige delta. Een voorbeeld hiervan is de maatregel in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren in de Oosterschelde: suppleties op de Roggen- en Galgeplaat. Die suppleties passen in de huidige voorkeurstrategie, maar de frequentie van suppleren moet wel, afhankelijk van de mate van zeespiegelstijging na 2050, aangepast worden. Hiervoor wordt in spoor II van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging de houdbaarheid van de strategie onderzocht. In de periode na 2050 gaat het onder andere om de thema’s waterveiligheid, ecologie (versterking robuustheid en veerkracht) en het economisch gebruik (onder andere schelpdierenteelt).

Innovatie binnen kennis- en innovatieagenda

Voor de innovatiekant van de kennis- en innovatieagenda wordt als eerste een opbouw gemaakt vanuit pilots en living labs. Een voorbeeld hiervan zijn de zogenoemde ‘icoonprojecten’, die onderdeel zijn van het reeds opgestarte Onderzoekstraject Deltavraagstukken. Voor het icoonproject Innovatieve Waterkerende Landschappen werken initiatiefnemers samen aan projecten die bijdragen aan de landelijke en regionale kennisontwikkeling. Het gaat om:

  • waterlandschappen waarin met sociale innovatie wordt gezocht naar win-winsituaties voor waterveiligheid, landgebruik (onder andere landbouw, natuur en recreatie) en waterbouw, die tegelijkertijd de kwaliteit van de natuur én de klimaatbestendigheid versterken;
  • Klimaatadaptieve Waterkerende Landschappen voor een leefbare Oosterschelde en haar gemeenschappen;
  • het project ‘Samen leren over de weg naar dynamische dijklandschappen, een casestudie in de Westerschelde’.

Een icoongroep vormt een ‘learning community’, die ervaringen uitwisselt om zo samen tot innovatieve oplossingen te komen. Voor meer informatie: https://www.waterlandschappen.nl.

6.7 Kust

Doel voor 2050 is een veilige, aantrekkelijke en economisch sterke kust te hebben, die bestand is tegen (een mogelijke versnelling van) de zeespiegelstijging. Daarbij wordt rekening gehouden met andere wateropgaven, transities (waaronder de energietransitie) en het tegengaan van de uitstoot van stikstof en CO2. Nederland houdt een groot deel van de kustlijn op zijn plaats door zandsuppleties uit te voeren. Zandsuppleties zijn een belangrijk onderdeel van de voorkeursstrategie voor de kust: ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’.

6.7.1 Doel 2050: perspectief

Met het oog op het doel voor 2050, zijn begin 2022 de onzekerheidsmarges voor de zeespiegelstijging en een mogelijke versnelling daarvan nog te groot om randvoorwaarden en uitgangspunten mee te geven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom wordt de komende jaren gewerkt aan het verkleinen van die marges en dat gebeurt binnen het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Wanneer vanuit het Kennisprogramma randvoorwaarden en uitgangs­punten kunnen worden meegegeven, is het van belang om die te laten vastleggen in gemeentelijke omgevingsvisies. Zo kunnen toekomstige waterveiligheidsopties standaard worden meegenomen bij het maken van ruimtelijke plannen. ‘Spijt-maatregelen’ worden voorkomen en ‘geen-spijtmaatregelen’ kunnen mogelijk al worden genomen.

Vooralsnog lijkt er voldoende tijd om maatregelen langs de kust - waar nodig - aan te passen. Het is belangrijk om opties voor toekomstige kustversterkingsmaatregelen (waarbij rekening wordt gehouden met de zeespiegel­stijging) voor de lange termijn open te houden en hiervoor ook de ruimte langs de kust te reserveren.

6.7.2 Voortgang

Mede door het succes van het programma Kustlijnzorg en de zorgplicht voor de waterkeringen is de waterveiligheid van de kust op orde. De primaire waterkeringen en de zandige kust worden momenteel beoordeeld volgens de nieuwe veiligheidsnormen en zullen daar uiterlijk in 2050 aan voldoen. Het verbinden van andere ruimtelijke ambities met de toekomstige waterveiligheid vraagt extra aandacht.

Project Zandige Kust

In 2021 is het project Zandige Kust, de opvolger van Kustgenese 2.0, ondergebracht bij het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (spoor II - Systeemverkenningen). De activiteiten in de komende jaren bestaan uit kennis uitbouwen voor het (indien nodig) aanscherpen van het beleidsadvies Kustgenese 2.0 en kennis opdoen ten behoeve van de herijking van de voorkeursstrategie Kust van het Deltaprogramma. Bij dat laatste gaat het onder andere om het bepalen van de sedimentbehoefte bij verschillende zichtwaarden van zeespiegelstijging. Ook zal de eind­evaluatie van de pilotsuppletie Amelander Zeegat uitgevoerd worden. De opgeleverde kennis maakt het mogelijk te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen als gevolg van de zeespiegelstijging die van invloed zijn op het zandige systeem. Ook kunnen suppleties effectiever en kostenefficiën­ter worden ingezet. Dit heet: ‘lerend werken’.

6.7.3 Verbinding

Koppeling andere ambities met waterveiligheid

Een belangrijke doelstelling van de voorkeursstrategie voor de Kust is het verbinden van de waterveiligheidsopgaven met ruimtelijke ambities. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen in de kustzone leggen nog niet altijd de koppeling met toekomstige waterveiligheidsopgaven. Dat is nu ook lastig, omdat uitgangspunten en randvoorwaarden nog ontbreken. Die zullen volgen uit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.

Een voorbeeld van een project waarin woningbouw wordt gecombineerd met waterveiligheid is het project Dijkzone Den Helder. Het gaat om een voor Nederland uniek plan, waarbij ingespeeld wordt op de klimaatverandering met zeespiegelstijging én op de grote behoefte in Den Helder aan nieuwe woningen. De bestaande dijk wordt zodanig verbreed dat de kans klein is dat deze de komende tweehonderd jaar nog zal doorbreken. Die verbreding vormt de ondergrond voor een woonwijkje met huur- en koopwoningen.

6.7.4 Ontwikkelingen

Verduurzaming kustprojecten

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wil in 2030 volledig klimaatneutraal en circulair werken. Het onderhoud van de Nederlandse kust wordt gedaan met baggerschepen en dat veroorzaakt CO2-emissie. In 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het programma Innovaties in de Kustlijnzorg (IKZ) gestart. In dit programma werkt het ministerie in een innovatie­partnerschap met marktpartijen samen om technische oplossingen te ontwikkelen, die zorgen voor significant duurzamer kustonderhoud.

Regiosessie Kennisprogramma Zeespiegelstijging

In de tweede helft van 2022 wordt een reeks van kennis­ateliers voor het Kennisprogramma Zeespiegel­stijging georganiseerd, speciaal gericht op de Kust. Deze ateliers zijn erop gericht om de onzekerheden binnen het Kennis­programma te verkleinen.

6.8 Waddengebied

Het Deltaprogramma Waddengebied heeft in 2014 een voorkeursstrategie vastgesteld die tot 2050 houdbaar is en bijdraagt aan de doelen van de Agenda voor het Waddengebied. Middels innovatieve en integrale dijkversterkingen en zandsuppleties wordt vooruitgang geboekt en per eiland een integrale waterveiligheidsstrategie ontwikkeld. De komende jaren zal er voldoende capaciteit vrij moeten worden gemaakt voor een hernieuwde benadering van de samenhang tussen preventie, waterrobuuste inrichtingen en rampenbeheersing, op basis van de nieuwste inzichten in de gevolgen van klimaatverandering.

6.8.1 Doel 2050: perspectief

De waterveiligheid in het Waddengebied wordt geborgd door de huidige bufferende werking van de eilanden en het intergetijdengebied zoveel mogelijk te behouden, alsmede door innovatieve dijkversterkingen en zand­suppleties te realiseren. Per Waddeneiland wordt een specifieke integrale waterveiligheidsstrategie gerealiseerd. Na een wat langere aanlooptijd kan ieder eiland in de komende jaren een waterveiligheidsstrategie vaststellen en vervolgens tot uitvoering brengen. Uitgangspunt blijft dat er bij falen van een waterkering op de eilanden zelf voldoende opvang voor mensen bestaat, omdat evacuatie naar de vaste wal in die situatie niet mogelijk is.

Vanaf de vaststelling van de voorkeursstrategie in 2015 zijn al enkele innovatieve dijkversterkingen opgeleverd. Voor andere dijkversterkingen zijn plannen in voorbereiding. Naar verwachting worden alle nodige dijkversterkingen voor 2050 opgeleverd. Met integraal kustbeheer en zandsuppleties kan tot 2050 het kust­fundament in balans met de zeespiegelstijging worden gehouden. De omvang en frequentie van en locaties voor zandsuppleties kunnen periodiek worden aangepast, op basis van de monitoring van de basiskustlijn en nieuwe inzichten.

Voor de komende jaren is het nodig dat de partners in het Waddengebied voldoende capaciteit organiseren om de waterveiligheid van het vasteland op de langere termijn integraal te kunnen benaderen. Er kan dan integraal en in samenhang met andere gebiedsopgaven worden omgegaan met de preventie van overstromingen vanuit zee én vanuit regionale wateren, een waterrobuuste inrichting van het achterland en rampenbeheersing bij overstromingen. Met name een perspectief voor de landbouw is daarbij een belangrijke opgave.

6.8.2 Voortgang

In het Waddengebied, langs de Noordzeekant van de Waddeneilanden, wordt het gebruik van zandsuppleties voortgezet. De zandsuppleties borgen de veiligheid die duinen op de eilanden bieden tegen overstromingen en beschermen andere functies, zoals natuur en recreatie. Voor Texel, Vlieland en Ameland worden zandsuppleties uitgevoerd in 2022-2023. Omdat op Schiermonnikoog de basiskustlijn zonder gevaar voor de waterveiligheid wordt overschreden, is daar vooralsnog afgezien van een zand­suppletie.

In het Kennisprogramma Zeespiegelstijging is een verkenning gestart naar de mate waarin de eilandduinen op natuurlijke wijze kunnen meegroeien met de zeespiegel en naar hoeveel zandsuppleties in de toekomst nodig zijn. Ook wordt gekeken naar wat veranderingen in de Waddenzee voor gevolgen hebben voor de waterkeringen op het vaste land. De resultaten van de verkenning worden meegenomen in de volgende herijking van de voorkeursstrategie.

Waterveiligheidsstrategieën Waddeneilanden

De Waddeneilandgemeenten en de veiligheidsregio’s Fryslân en Noord-Holland Noord hebben met andere partijen de pilot Integrale Waterveiligheidsstrategie Waddeneilanden afgerond. Bij een positieve evaluatie van de pilot wordt die strategie in het najaar van 2022 en in 2023 op alle eilanden uitgerold.

Twee dijktrajecten

Voor het dijktraject Lauwersmeer-Vierhuizergat is de voorkeursvariant ontwikkeld. Het projectbesluit wordt genomen in het derde kwartaal van 2022. Voor het dijk­traject Koehool-Lauwersmeer is de verkenning afgerond en de planuitwerking gestart. Voor beide dijktrajecten worden maatregelen integraal voorbereid als HWBP-PAGW-projecten (Hoogwaterbeschermingsprogramma en Programmatische Aanpak Grote Wateren). Dit betreft maatregelen voor waterveiligheid, de uitbreiding en kwaliteitsverbetering van leefgebieden (kwelderaanleg, ‘Rijke Dijk’-elementen) en zoet-zoutverbindingen met het achterland. Ook voor andere dijktrajecten worden opgaven voor waterveiligheid en andere gebiedsdoelen integraal opgepakt, zoals het traject Schiermonnikoog.

Samenwerking en verbinding versterkt

De Waddeneilandgemeenten en de veiligheidsregio’s Fryslân en Noord-Holland Noord hebben hun samen­werking versterkt om te komen tot een integrale water­veiligheidsstrategie per eiland. Daarmee wordt een optimale samenstelling van preventieve maatregelen tot stand gebracht in de vorm van waterkeringen, ruimtelijke waterrobuuste inrichtingen en evacuatieplannen. Er is een aanpak uitgewerkt voor op te stellen ambities voor waterveiligheidsstrategieën en mogelijke beleidsdoelen. Dit project is opgepakt door de Waddeneilanden, veiligheidsregio Fryslân in samenwerking met Rijkswaterstaat, veiligheidsregio Noord-Holland Noord, Wetterskip Fryslân, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de provincies Fryslân en Noord-Holland.

Deltaprogramma Waddengebied en Agenda voor het Waddengebied 2050 hebben een nauwere verbinding met elkaar gezocht. Het streven is deze verbinding de komende tijd te ontwikkelen en versterken. Het Deltaprogramma Waddengebied gaat ook met andere programma’s in het gebied de verbinding zoeken.

6.8.3 Verbinding

De realisatie van de voorkeursstrategie past binnen het hoofddoel van de Agenda voor het Waddengebied 2050: een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap (Werelderfgoed sinds 2009). De Agenda voor het Waddengebied 2050 zet in op een veilig en veerkrachtig Waddengebied, dat gevolgen van klimaatveranderingen kan opvangen. Ook wordt ingezet op een vitaal Waddengebied, dat goed bereikbaar en aantrekkelijk is voor wonen en werken. Onderwijs en zorg kunnen op de eilanden of langs de kust worden aangeboden. De integrale veiligheids­strategieën voor de Waddeneilanden, de innovatieve dijkconcepten en zowel het Hoogwaterbeschermingsprogramma als de Programmatische Aanpak Grote Wateren dragen bij aan deze doelen.
Verbindingen met transities op het gebied van onder meer energie, landbouw en de woningbouw, worden niet of in ieder geval nóg niet opgepakt door het Deltaprogramma Waddengebied.

6.8.4 Ontwikkelingen

Brede Groene Dijk

In het project Brede Groene Dijk legt kennisconsortium Ecoshape in opdracht van het waterschap Hunze en Aa’s een zogenoemde ‘brede groene dijk’ aan. Dit gebeurt in de periode april-oktober 2022 op de Dollarddijk, over een afstand van 750 meter. Het betreft een ‘demonstratiedijk’, met aan de zeezijde een flauw talud. Die is gemaakt van lokaal gewonnen klei uit het zeehavenkanaal van Delfzijl en uit natuurpolder Breebaart. Deze klei is drie jaar gedroogd in de Kleirijperijen, als onderdeel van een pilot waarbij van slib op een rendabele manier klei gemaakt wordt. Voor een deel van de dijk wordt klei gebruikt die vrijkwam bij het graven van een klutenplas op de kwelder. Als na drie jaar monitoring (door Ecoshape) blijkt dat deze demonstratie­dijk een succes is, wordt de dijk over de volledige 12,5 kilometer op deze manier met lokaal gewonnen en gerijpte klei versterkt.

Getijdenduiker

Voor het demonstratieproject Dubbele Dijk legt de provincie Groningen in 2023 een getijdenduiker aan in de buitenste kering van de Dubbele Dijk. Een getijdenduiker is een koker die door de dijk heen loopt. Vanaf 2024 wordt hierdoor met de getijdenbeweging zeewater in het zuidelijk binnengebied toegelaten. Het sediment bezinkt vervolgens in het binnengebied van de Dubbele Dijk. Het zeewater wordt deels gebruikt voor zilte teelt in het noordelijke binnengebied. Bij verwachtingen van extreem hoog water wordt de getijdenduiker gesloten.

6.9 Hoge Zandgronden

De voorkeursstrategie voor de Hoge Zandgronden moet de beschikbaarheid en de kwaliteit van het zoetwater waarborgen en de gebieden weerbaarder maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Qua waterbeheer en landgebruik wordt meer aandacht besteed aan het vasthouden en vertraagd afvoeren van water. Ambitie is dat in 2027 20% van de Hoge Zandgronden voldoet aan de ambitie voor 2050. In de zandgebieden is al vanaf de start gekozen voor een zo breed mogelijke en integrale aanpak. Dat is noodzakelijk omdat de zoetwatervoorziening in de zandgebieden niet los kan worden gezien van de landbouw- en natuuropgaven, de drinkwaterwinning, de stedelijke ontwikkeling en opgaven in het landelijk gebied. Maatregelen worden dus veelal uitgevoerd in projecten waarbij naast de zoet­watervoorziening ook meerdere andere doelen worden gerealiseerd.

6.9.1 Doel 2050: perspectief

Vanwege de samenhang tussen het Deltaplan Zoetwater en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie hebben de partners in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland gezamenlijk een ambitie en strategie voor de Hoge Zandgronden vastgesteld. Die gezamenlijke ambitie voor de lange termijn (2050) luidt: ‘De Hoge Zandgronden in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland klimaatbestendig en waterrobuust maken, opdat de regio’s kunnen omgaan met extreem weer en watertekort. De transitie draagt bij aan een mooi, gezond en welvarend Nederland.’

Uit deze ambitie voor de lange termijn is het volgende toekomstperspectief voor de periode tot 2027 afgeleid: ’In 2027 is klimaatbestendig en waterrobuust inrichten de gangbare praktijk. In 2027 voldoet 20% van de Hoge Zandgronden aan de ambitie voor 2050.’

Door te werken in opeenvolgende planperioden van zes jaar kan tijdig gereageerd worden op de snelheid van klimaatverandering en ontwikkelingen in de ruimtelijke en maatschappelijke context. Door te werken met een programma van maatregelen, in plaats van met projecten die qua locatie en omvang bij aanvang vaststaan, is er de mogelijkheid om projecten binnen een planperiode naar voren te halen of juist te temporiseren. Dat gebeurt wanneer de situatie in gebieden of bij partijen daar aan­leiding toe geeft; flexibiliteit in de uitvoering is belangrijk. De aanpak van waterbeschikbaarheid op de Hoge Zandgronden is een kwestie van veel maatregelen nemen op diverse ruimtelijke schaalniveaus, waarbij alle regionale overheden en maatschappelijke partners aan zet zijn.

De gekozen manier van programmatisch werken met planperioden maakt het noodzakelijk om tijdig vooruit te blikken en voor te sorteren op mogelijke maatregelen voor de volgende fase van het programma. Belangrijk daarbij is dat het perspectief voor 2050 leidend blijft bij het inpassen van nieuwe langetermijntransities vanuit andere doelen.

6.9.2 Voortgang

Regio’s Oost- en Zuid-Nederland

De regio’s Oost- en Zuid-Nederland hebben in 2021 nieuwe werkprogramma’s opgesteld voor de tweede fase. Het werkprogramma in Oost heeft de titel: ‘Wel goed water vasthouden! Werken aan een nieuwe balans’. Het werkplan in Zuid heet: ‘Weerbaar tegen watertekort’. De werk­programma’s zijn verankerd in bestuursovereenkomsten die door alle deelnemende partijen zijn ondertekend.

De nieuwe werkprogramma’s borduren voort op de aanpak uit de eerste fase, met maatregelen in drie hoofdcategorieën. De categorieën zijn:

  • watersysteem aanpassen;
  • watergebruik aanpassen;
  • landgebruik aanpassen.

Conform de aanbevelingen van de Beleidstafel Droogte uit 2019 is afgesproken om bij waterbeheer en landgebruik meer aandacht te besteden aan het vasthouden en vertraagd afvoeren van water.

In de uitvoering lag in 2021 en de eerste maanden van 2022 de focus op het afronden van de lopende projecten uit de eerste fase. Deze zijn op 1 januari 2022 in de regio Oost voor 89% afgerond, in de regio Zuid voor 93%. Het betreft een scala aan projecten op het gebied van beekherstel, afkoppelen van stedelijk water, verminderen van detailontwatering, verbeteren van de sponswerking van de bodem en beter vasthouden van water. In de regio Oost is voor enkele projecten (11%) op het gebied van landbouw en natuur uitstel verleend om deze in de periode 2022-2023 af te kunnen ronden. In de regio Zuid lopen diverse projecten door in 2022. Een tweetal projecten loopt door in 2023.

Regio Noord-Nederland

De Zoetwaterregio Noord-Nederland is in de tweede fase van het Deltaprogramma Zoetwater gestart met een programma voor de zandgronden in Noord-Drenthe en de aangrenzende zandgronden in Groningen en Friesland. De uitgangspunten voor het programma zijn identiek aan die in de regio’s Oost en Zuid. Ze zijn gestoeld op een programmatische aanpak voor een klimaatrobuuste inrichting in 2050: er is een transitie nodig van het huidige watersysteem, zodat watervraag en wateraanbod beter met elkaar in balans komen. De nadruk ligt op het vasthouden van water in de bodem, in plaats van op het afvoeren van water. Ook in de ruimtelijke inrichting zijn maatregelen nodig om de waterbeschikbaarheid te vergroten.

Voor de tweede fase (2022-2027) is in de regio Noord op dezelfde methodologische wijze als in de regio’s Oost en Zuid op basis van een inventarisatie een maatregelenpakket opgesteld. De inventarisatie heeft geresulteerd in een lijst van maatregelen op maat. Evenals in de regio’s Oost en Zuid werkt een groot aantal partners samen: provincies, waterschappen, gemeenten en de landbouwsector. Iedere partner neemt maatregelen die passen bij de eigen rol en verantwoordelijkheid.

De gekozen maatregelen zijn:

  • beekherstel en herprofilering van leggerwaterlopen;
  • regelbare drainage en onderwaterdrainage;
  • verminderen van lokale ontwatering en waterafvoer;
  • herinrichting van stedelijk gebied;
  • verbeteren van de bodemstructuur;
  • gerichte watergeefsystemen;
  • bedrijfsgerichte stimuleringsplannen;
  • aanpassing grondgebruik: functie veranderen in ruimte voor water;
  • samen met alle belanghebbenden gebiedsgericht werken aan het vasthouden van zoetwater en/of het zuinig omgaan met water;
  • ‘winterwater’: in de winterperiode (als er voldoende water beschikbaar is) aanvullen van grondwater.

6.9.3 Verbinding

In de zandgebieden is al vanaf de start van de eerste fase gekozen voor een zo breed mogelijke en integrale aanpak. Deze aanpak leidt tot goede resultaten en wordt in de periode 2022-2027 voortgezet. De zoetwatervoorziening kan in de zandgebieden namelijk niet los worden gezien van de landbouw- en natuuropgaven, de drinkwaterwinning, de stedelijke ontwikkeling en opgaven in het landelijk gebied. Maatregelen worden dus veelal uitgevoerd in projecten waarbij naast de zoetwatervoorziening ook meerdere andere doelen worden gerealiseerd. Met de start van de tweede fase is ervoor gekozen om de integrale aanpak een extra impuls te geven door te werken met focusgebieden. In deze focusgebieden zijn er flinke droogteproblemen of problemen met zoetwaterbeschikbaarheid. Daarnaast liggen er in de focusgebieden goede koppelkansen met andere gebiedsopgaven, zoals de natuuropgave, de Kaderrichtlijn Water of de landbouwtransitie.
Met de ondertekening van de bestuursovereenkomst hebben de gebiedspartners zich gecommitteerd aan de opgaven voor de regio’s Noord, Oost en Zuid. Vanuit dat commitment werken ze de maatregelen momenteel verder uit en voeren deze gedurende de looptijd van het programma uit als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak. Sommige partners hebben projecten die al uitvoerings­gereed zijn.

6.9.4 Ontwikkelingen

Met het nieuwe coalitieakkoord is er nog meer urgentie om maatregelen in de beekdalen integraal uit te werken en uit te voeren. Daarbij ontstaat steeds meer het inzicht dat het optimaliseren van het watersysteem niet meer voldoende is en dat een grondige transitie noodzakelijk is om de Hoge Zandgronden toekomstbestendig te maken.

De aankondiging van een Nationaal Programma Landelijk Gebied, waarin de integratie van opgaven en oplossingen centraal staat, is cruciaal. Een dergelijke aanpak vraagt om langjarig commitment, centrale sturing met ruimte voor regionaal maatwerk, samenwerken als één overheid en het besef dat dit proces tot 2050 gaat duren. Lef, vasthoudendheid, en denken in en rekening houden met belangen van individuele bewoners en bedrijven, zijn hierbij noodzakelijk.

Ter ondersteuning wordt momenteel een beekdalenonder­zoek uitgevoerd in de regio Oost, dat meer zicht moet bieden op de inzet van de beekdalen en natuurlijke laagten in deze hele zoetwatertransitie. Voor de hellende gebieden vormen de beken en beekdalen en de op het oppervlakte­watersysteem aangesloten natuurlijke laagten de afwaterings­weg. Ze zijn de drainagebasis voor het omliggende gebied. Het oppervlaktewatersysteem in die beekdalen en natuurlijke laagten heeft grote invloed op het functioneren van het gehele watersysteem.
Naar aanleiding van de ernstige wateroverlast in de zomer van 2021, vindt in Limburg onderzoek plaats naar oplossingen om dit in de toekomst te voorkomen. De maatregelen die hieruit voortkomen zullen in samenhang met de aanpak zoetwater moeten worden uitgevoerd.

Voetnoten

  1. Bron: Sweco, 'De investeringsopgave in Deltaprogramma regio's'.
  2. Kamerstukken II 2020/21, 27 625, 521
  3. Zie achtergronddocument F Deltaprogramma Zoetwater: voortgang 2021 en terugblik eerste fase (2015-2021).