Hoofdstuk 5Ruimtelijke Adaptatie

Foto bovenkant pagina: Waterbergingsysteem Grotestraat, Nijverdal, april 2022

In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. 2021 was een jaar waarin door de gebeurtenissen in Limburg en de extreme hitte en bosbranden in grote delen van Europa het onderwerp ruimtelijke adaptatie extra in de aandacht kwam. Er wordt hard gewerkt, maar de weg naar een klimaat­bestendige inrichting van Nederland is nog lang. Bovendien loopt deze samen met andere transities die ruimtelijke kansen zullen opleveren, maar ook dilemma’s. Het coalitieakkoord onderstreept het belang van klimaatadaptatie, onder meer door te stellen dat water en bodem sturend worden bij ruimtelijke planvorming en door ook hittestress expliciet als bedreiging te noemen.

5.1 Doel 2050: perspectief

Het doel van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Met dit doel hangt een enorme maatschappe­lijke transitie samen: er moet consequent gedacht en gehandeld worden vanuit het streven om schade door klimaateffecten zoveel mogelijk te beperken. Door bijvoorbeeld nieuwe bebouwing direct klimaatbestendig te maken, wordt voorkomen dat er sprake is van dweilen met de kraan open. Het gestelde einddoel in 2050 vraagt om een lange adem en het inzicht dat er nog veel stappen gezet moeten worden. Het tussendoel om altijd ‘klimaatproof’ te handelen is nog maar in (zeer) beperkte mate behaald. De meeste provincies en gemeenten (70% volgens een steekproef onder de werkregio’s) zijn inmiddels wel actief bezig om in hun omgevingsvisies klimaatadaptatie te integreren. Hoopvol is ook dat klimaatadaptatie volop in de aandacht is gekomen, dankzij het werk van de afgelopen jaren in de 45 werkregio’s van het DPRA. De bewustwording bij burgers en belanghebbenden neemt toe, wat een belangrijk aangrijpingspunt is als het gaat om de beheersing van klimaateffecten.

Het is nog lastig om een goed overzicht te krijgen van hoe ver het klimaatbestendig maken van de vitale en kwetsbare functies is gevorderd. De inzet die 344 gemeenten, samen met provincies en waterschappen, hebben getoond bij de het doorlopen van de DPRA-werkwijze, stemt tot tevredenheid. Dan gaat het over het cyclische proces van stress­testen, risicodialogen, uitvoeringsagenda’s, meekoppelen in integrale ontwikkeling, kennisopbouw, reguleren en borgen, en aandacht voor de aanpak van calamiteiten. Gemeenten boeken goede resultaten, maar worstelen tegelijkertijd met de grote hoeveelheid ruimtelijke claims en een gebrek aan capaciteit in de uitvoering. In 2021 is een belangrijke stap gezet met het gereedkomen van de eerste Uitvoeringagenda Klimaatbestendige Netwerken. Deze uitvoeringsagenda beschrijft welke stappen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de komende jaren zet om het hoofdvaarwegennet, het hoofdwatersysteem en het hoofdwegennet klimaatbestendiger te maken. Het daad­werkelijk uitvoering geven aan die agenda zal echter nog vele jaren vergen.

Zoetwater - Nederland in 2050 weerbaar tegen watertekort
Figuur 11 Ruimtelijke Adaptatie - Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht (tekstuele beschrijving)

5.2 Voortgang

De Impulsregeling Klimaatadaptatie is sinds 1 januari 2021 van kracht. In 2021 heeft ruim de helft van de 45 werkregio’s een eerste officiële aanvraag ingediend. Vijftien aanvragen zijn in 2021 afgehandeld, waarmee in totaal € 48,95 miljoen aan rijksbijdrage gemoeid was. Inclusief de bijdragen vanuit de werkregio’s zelf, goed voor twee derde van de financiering, heeft het maatregelenpakket van de aanvraag uit 2021 een waarde van bijna € 150 miljoen.
Volgens planning zijn vorig jaar de risicodialogen afgerond; tevens zijn in een groot aantal werkregio’s de uitvoerings­agenda’s opgesteld.

Groene Stad Challenge

Vergroening is een belangrijke maatregel voor een klimaatbestendige inrichting. Dit jaar vond voor het eerst de Groene Stad Challenge plaats. 103 gemeenten deden mee. De gemeenten Delft en Rijswijk zijn verkozen tot Groenste steden van Nederland.

NK Tegelwippen

In 2021 hebben 81 gemeenten gedurende een halfjaar deelgenomen aan de eerste editie van het NK Tegelwippen. Doel van deze competitie was om zoveel mogelijk tegels te vervangen door groen en zo het waterbewustzijn van burgers in hun eigen leefomgeving te bevorderen. De gemeente Rucphen won De Gouden Tegel met een score van 989 gewipte tegels per duizend inwoners. Gemeten in absolute getallen won de gemeente Den Haag. In totaal werden 1,5 miljoen tegels gewipt. In 2022 vindt het NK Tegelwippen opnieuw plaats.

Advies deltacommissaris over woningbouw en klimaatadaptatie

Op verzoek van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft de deltacommissaris in twee stappen een advies uitgebracht over het verbinden van de woning­bouwopgave aan klimaatadaptatie: een briefadvies op 1 september 2021 en briefadvies op 7 december 2021[1]. Dit advies is gericht op een aanpak voor de korte en lange termijn en neemt ook de gevolgen van de zeespiegelstijging mee. De hoofdboodschap is dat er bij de woningbouw­opgave en de herinrichting van bestaand gebied structureel meer rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van klimaatverandering, nu en op de lange termijn. Daarnaast moeten water en bodem sturend worden bij ruimtelijke planvorming. Het gaat hierbij zowel om de wijze van bouwen als hoe gebieden worden ingericht en wáár we bouwen. Dit gebeurt nu onvoldoende.
De ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en van IenW hebben op 24 mei 2022 een reactie op het advies van de deltacommissaris naar de Tweede Kamer gestuurd[2]. De acties gekoppeld aan het advies en de reactie daarop worden onder andere opgenomen in het Nationale Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving, die na de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Een belangrijk onderdeel is een landelijke maatlat die BZK en IenW dit jaar samen met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ontwikkelen en waarbij andere overheden en stakeholders betrokken zullen worden. Die maatlat geeft aan wat onder klimaatbestendig en waterrobuust bouwen wordt verstaan. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij wat daarover in de afgelopen jaren al in een aantal regio’s gezamenlijk met marktpartijen is ontwikkeld. In het traject ‘Bodem en water als basis’ werkt het ministerie van IenW samen met betrokken departementen en medeoverheden richting 1 oktober 2022 doelen en randvoorwaarden uit die consequenties kunnen hebben voor onder andere de (woning)bouwopgave.

Nationale Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving

De ministeries van BZK, IenW, LNV en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werken samen aan een ‘Nationale aanpak klimaatadaptatie gebouwde omgeving 2022-2025, op weg naar groene, klimaatadaptieve steden en dorpen’. Met deze nationale aanpak geeft het Rijk inzicht in wat de ambities zijn op weg naar groene, klimaatadaptieve steden en dorpen, welke acties daarvoor ondernomen worden en hoe het Rijk wil samenwerken met medeoverheden en vele andere stakeholders. De nationale aanpak is een uitwerking van het speerpunt ‘gebouwde omgeving’ van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS), net zoals eerder het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw en de Actielijnen klimaatadaptatie natuur zijn verschenen. De NAS heeft zich sinds 2016 gericht op het ontwikkelen van klimaatadaptief beleid voor sectoren, aanvullend op het Deltaprogramma. De nationale aanpak voor een klimaatadaptieve gebouwde omgeving wordt na de zomer van 2022 naar de Tweede Kamer gestuurd.

5.3 Verbinding

Klimaatadaptatie moet niet als een op zichzelf staande opgave worden uitgewerkt. Juist in het ruimtelijk domein, waarop veel van het werk van klimaatadaptatie zich zou moeten richten, zijn er al vele sector- en opgave-­georiënteerde gebiedsbenaderingen. Dat geldt onder andere voor de energietransitie, de aanpak van stikstof­emissie, de verduurzaming van de landbouw en economie, de woningbouwopgave en het herstel van de biodiversiteit. In bebouwd gebied, waar voor het tijdig oplossen van knelpunten niet altijd kansen zijn om mee te koppelen, is klimaatadaptatie complex. Dat vraagt voor stedelijke gebieden om extra capaciteit en (structurele) middelen en ook interdepartementale afstemming.
Voor ruimtelijke klimaatadaptatie beschikken veel overheden niet over de capaciteit en middelen om maatregelen uit te voeren. Het onderwerp klimaatadaptatie zou een meer normatief en verplichtend karakter moeten krijgen, zodat de opgave in de het ruimtelijke domein duidelijk is en de discussie kan gaan over hoe klimaat­adaptatie uitwerking krijgt. Vooralsnog zijn er veel kansen om klimaatadaptatie onderdeel te maken van een integrale gebiedsbenadering. Dat kan bijvoorbeeld via de aanpak van de veenweideproblematiek lopen, als onderdeel van regionale energiestrategieën, via het Nationaal Programma Landelijk Gebied of via verstedelijkingsstrategieën als de Nationale Omgevingsvisie. Klimaatadaptatie is daarbij een belangrijke drijvende factor in de uitwerking van het principe ‘water en bodem sturend’ en bij de ontwikkeling van de maatlat voor klimaatbestendig en waterrobuust bouwen.

Ruimtelijke rol van provincies op waarde schatten

Veel provincies hebben sinds de verschijning van het eerste Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie fors ingezet op het verbinden van klimaatadaptatie met andere ruimtelijke opgaven: van de woningbouwopgave en de energietransities tot opgaven op het gebied van landbouw, economie en natuur. Dit heeft in de diverse beleidsvelden geleid tot nieuwe inzichten, nieuwe tools, de vorming van publiek/private netwerken en handelingsperspectief om op klimaatbestendige wijze om te kunnen gaan met onze groeiambities in Nederland. Provincies pakken hun rol in de ruimte, door klimaatadaptatie ook in hun omgevingsvisies en verordeningen op te nemen. In deze rol zijn zij een belangrijke gesprekspartner van het Rijk om klimaatadaptatie te kunnen laten landen in nationale ontwikkelingen zoals de genoemde maatlat, de uitwerking van water en bodem sturend, en de integrale gebiedsbenadering in een groot aantal landelijke programma’s.

Bodemdaling

In de werkregio’s waar bodemdaling speelt wordt dit onderwerp mede in de context van klimaatadaptatie bezien. De nationale aanpak van bodemdaling in veen­weidegebieden krijgt vorm door het landelijke veenplan en de provinciale veenprogramma’s. Het ministerie van BZK werkt samen met de ministeries van IenW en LNV aan een ondersteunend nationaal programma voor de aanpak van funderingsproblematiek. Deze aanpak heeft een bredere focus dan alleen bodemdaling. De Regio Deal Bodemdaling Groene Hart en het programma Living On Soft Soils (onderdeel van de Nationale Wetenschapsagenda) leveren kennis op voor adaptieve maatregelen. Als uitvloeisel hiervan is het nationale Kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen in oprichting, dat voor inwoners en professionals kennis en informatie gaat ontsluiten voor de aanpak van bodemdaling.

5.4 Ontwikkelingen

Naast de jaarlijkse enquête hebben gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de werkregio’s, waarbij veelal ook de gebiedscoördinatoren (meestal vanuit de provincie of het waterschap) betrokken waren. Deze monitoringsronde is uitgevoerd in opdracht van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie door medewerkers van platform Samen Klimaatbestendig. Op basis van de uitkomsten is te concluderen dat de grootste uitdagingen op het gebied van ruimtelijke adaptatie liggen op het gebied van capaciteit en de uitvoering van concrete projecten. Een ander probleem is dat de financiële middelen voor het financieren van de meerkosten voor aanleg en beheer van klimaatadaptieve maatregelen vaak ontbreken. De middelen die beschikbaar zijn via de impulsregeling blijken vaak ontoereikend, te kleinschalig of te veel gericht op alleen watergerelateerde maatregelen.

Nieuw rapport IPCC en Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering heeft geleid tot wereldwijde en deels onomkeerbare gevolgen voor mens en natuur, vooral door het vaker optreden van extreme weersomstandigheden. Deze trend zet voorlopig door en de grens van 1,5 graad temperatuurstijging wordt als we mondiaal zo doorgaan al over ongeveer tien jaar bereikt. Deze conclusies publiceerde het klimaatpanel van de Verenigde Naties in de nieuwste IPCC-rapporten. In oktober 2021 publiceerde het KNMI het Klimaatsignaal’21, waarin de focus op de impact van klimaatverandering in Nederland ligt. Zowel uit de IPCC-rapporten als uit het Klimaatsignaal bleek dat de klimaatverandering sneller gaat dan oorspronkelijk werd verwacht en dat de gevolgen en risico’s bij verder stijgende temperaturen respectievelijk ernstiger en groter moeten worden ingeschat dan in het vorige IPCC-rapport uit 2014. Ook is voor het eerst zonder twijfel duidelijk gemaakt dat de huidige mondiale opwarming toegeschreven moet worden aan menselijk handelen.

Overstromingen Limburg en beleidstafel

Door klimaatverandering nemen klimaatextremen toe en bestaat er een reële kans dat gebeurtenissen zoals de overstromingen en de wateroverlast in juli 2021 in Limburg, België, Duitsland en Luxemburg, vaker zullen voorkomen. Dit is door het KNMI aangegeven in het Klimaatsignaal’21. Het eerste advies van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater stelt dat de watersystemen, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing niet voldoende waren berekend op een situatie van deze omvang. Het adviesorgaan is gestart om te komen met aanbevelingen om de aanpak van klimaatadaptatie te versterken. De eerste fase is begin 2022 afgerond en gerapporteerd aan de Tweede Kamer. In die rapportage staat een aantal voor het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie relevante punten. Zo is er het advies om de uitgangspunten voor stresstesten uniform te maken, waarbij moet worden bepaald welke klimaataspecten worden meegenomen en welke weersextremen. Ook wordt geadviseerd om risicoanalyses op systeemniveau uit te voeren voor extreme gebeurtenissen die de verschillende schaalniveaus van stresstesten beter met elkaar verbinden. Er is bovendien meer aandacht nodig voor de samen­werking bij calamiteiten, ook internationaal. Het komen tot uniformere uitgangspunten voor de stresstesten is inmiddels gestart en loopt naar verwachting door tot begin 2024. Dan zijn ook nieuwe klimaatscenario’s van het KNMI beschikbaar. Om die reden wordt aanbevolen om met een nieuwe ronde stresstesten te wachten totdat er een aan­gepaste leidraad (‘bijsluiter’)
beschikbaar is.

Nationale Klimaatadaptatiestrategie en verdere acties

In de loop van 2022 wordt de evaluatie van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) opgeleverd en wordt bekeken hoe hier een vervolg aan wordt gegeven. Het Europese LIFE IP-project loopt vanaf 2022 en is gericht op implementatie van de NAS, met een focus op regionale samenwerking op het gebied van klimaatadaptatie. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie ziet kansen voor een versterkte uitvoering van de NAS via haar netwerk van werkregio’s en de mogelijkheid om dialogen daar te verbreden.

In opdracht van een aantal samenwerkende ministeries zorgt het Planbureau voor de Leefomgeving voor een bundeling van nieuwe inzichten van alle klimaatrisico’s. Verder wordt klimaatadaptatie geïmplementeerd in verstedelijkingsstrategieën en in strategieën voor landelijk gebied, via de ruimtelijke dossiers van het ministerie van BZK. Het ministerie van IenW is samenwerkingspartner en ontwikkelt kaders om doelen voor klimaatadaptatie en de sturing in processen van ruimtelijke ordening concreter te maken. Dit betreft zowel de implementatie van de Nationale Omgevingsvisie als de woningbouwopgave. Met betrekking tot dat laatste moet ook nagedacht worden over hoe landelijk beschikbare data en lokale en regionale kennis over klimaatimpacts ontsloten kunnen worden, met als doel om de opgaven goed in kaart te kunnen brengen.

Gevolgen klimaatverandering voor gezondheid

Klimaatverandering kan gevolgen hebben voor de gezondheid. Naast gevolgen van hitte gaat het bijvoorbeeld om risico’s op het gebied van infectieziekten en allergieën. Adaptatiemaatregelen voor waterbeschikbaarheid en tegen wateroverlast kunnen naast positieve bijdragen aan de gezondheid ook ongewenste neveneffecten hebben. Wateropvang of -berging kunnen bijvoorbeeld leef­omstandigheden voor muggen verbeteren of introduceren. Groene maatregelen kunnen gevolgen hebben voor de verspreiding van teken. Als onderdeel van de NAS werkt het ministerie van VWS aan het thema gezondheid en klimaatadaptatie. VWS en het Deltaprogramma verkennen hoe het Deltaprogramma negatieve neveneffecten van adaptatie­maatregelen voor de gezondheid kan voorkomen of beperken.

5.5 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie

Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie omvat zeven ambities, die moeten leiden tot een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van Nederland in 2050. Zie ook de monitor 2022, achtergronddocument G.

5.5.1 Voortgang stresstesten, risicodialogen en uitvoeringsagenda’s

Voortgang

Sinds de eerste ronde stresstesten, die is voltooid in 2020, zijn daar waar dat nodig werd geacht aanvullende analyses gedaan. Die zijn vervolgens ingezet bij themaspecifieke risicodialogen met stakeholders, bewoners en anderen, waaronder de GGD’s (over hittestress), terreinbeherende organisaties, drinkwaterbedrijven en veiligheidsregio’s. Wat opvalt is dat de meeste risicodialogen specifiek gericht zijn op één of twee thema’s, bijvoorbeeld overstroming, overlast, hitte of droogte.
De meeste werkregio’s zijn inmiddels bezig met de uitvoeringsagenda en het op basis daarvan indienen van een aanvraag voor de Impulsregeling Klimaatadaptatie. Er is duidelijk toegenomen aandacht voor het onderwerp klimaatadaptatie, mede door klimaatsubsidieregelingen en de risicodialogen met bewoners. Dit geldt vooral voor de werkregio’s met (veel) stedelijk gebied. Behalve in het gebied dat direct getroffen was, zijn de recente weers­extremen in Zuid-Limburg geen aanleiding geweest om de reeds doorlopen ambities opnieuw tegen het licht te houden. Een aantal weersextremen met minder nationale aandacht hebben wel impact gehad op de ambities in de werkregio’s waar ze plaatsvonden.

Samenwerking in de werkregio’s

In de 45 werkregio’s wordt op diverse wijzen samen­gewerkt. Binnen grote steden wordt flink werk gemaakt van klimaatadaptatie, waarbij het meekrijgen van alle onderdelen binnen de organisatie nog de nodige inspanning vergt. Grote gemeenten hebben meer capaciteit, maar de processen zijn ook complexer te organiseren. Kleinere gemeenten zijn meer onderling binnen werkregio’s gaan samenwerken. In landelijke gebieden loopt de samenwerking met name volgens bestaande structuren, waarbij gemeenten en waterschappen veel samen doen. Vaak is ook de provincie betrokken. Organisaties zoals de GGD, de veiligheidsregio, Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat en drinkwaterbedrijven worden soms voor een specifiek thema uitgenodigd om samen te werken.

In het algemeen verloopt de samenwerking goed. Ten aanzien van het verantwoordelijkheidsvraagstuk worden in sommige werkregio’s vragen gesteld over verantwoordelijkheden op het gebied van coördinatie, over het overgangsgebied tussen landelijk en stedelijk, en over hoe om te gaan met grondeigenaren. Zorgen over uitvoeringskracht worden breed gedeeld.

Op het gebied van publiek-private samenwerkingen wordt nog niet heel veel gedaan. Op een aantal plaatsen worden woningcorporaties betrokken en in een enkele werkregio ook volledig private bedrijven, voornamelijk in grotere gemeenten. Binnen het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie kan door de werkregio’s maar beperkt tijd besteed worden aan monitoring; als het gebeurt is het met name proces­gericht. Voor de monitoring van hoe de klimaatbestendigheid zich ontwikkelt, zijn volgens de werkregio’s onvoldoende capaciteit en middelen beschikbaar. De behoefte aan monitoring wordt wel steeds groter, vooral bestuurlijk. Dan gaat het om zicht houden op de omvang van de opgave en op de voortgang van de transitie naar een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting.

Verbindende rol van de provincies

Veel provincies spelen een verbindende rol in de samenwerking in de werkregio’s. In sommige provincies wordt ook actief de rol van DPRA-gebiedscoördinator opgepakt, waarbij vanuit de provincie of vanuit een waterschap een aantal werkregio’s actief samenwerkt en kennis deelt. De provincies ondersteunen veelal actief de totstandkoming van regionale uitvoeringsagenda’s en de aanvragen voor de Impulsregeling Klimaatadaptatie. Daarnaast weten provincies veelal thema-specifieke stakeholders op bovenregionaal niveau te verbinden met regionale en lokale vraagstukken op het gebied van klimaatadaptatie. Die stakeholders zijn onder andere woningcorporaties, de private bouwketen en investeerders, de veiligheidsregio’s, de waterschappen en de GGD’s.

5.5.2. Meekoppelkansen benutten

Het benutten van meekoppelkansen (ambitie 5 van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie) blijkt een moeilijke stap, waarvoor nog weinig handvatten beschikbaar zijn. Gemeenten slagen er wel steeds beter in om klimaat­adaptatie mee te koppelen met reguliere beheeropgaven, zoals bij de vervanging van de riolering (in Leiden), bij beschoeiingen (in de gemeente Nissewaard) of bij groot onderhoud door woningcorporaties (in Vlaardingen). Behalve dat meekoppelen de kosten voor klimaatadaptief inrichten beheersbaar houdt, komt er zo ook steeds meer informatie en kennis beschikbaar over de meerkosten voor gemeenten in zowel de aanleg- als beheerfase.
Ook de inzichten over wat logische interventiemomenten zijn om private huiseigenaren in beweging te krijgen worden steeds helderder (zoals in Nissewaard). Hierdoor krijgen gemeenten meer tools in handen voor het effectief sturen van hun subsidie-instrumenten en hun communicatie.

Het kunnen benutten van meekoppelkansen vraagt om een gemeenschappelijke taal en focus vanuit verschillende expertises. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het mee­koppelen met de energietransitie. Verschillen in beleidsdoelen en focus en onbekendheid met elkaars werkprocessen belemmeren een effectieve gezamenlijke aanpak. In Zuid-Holland is daarvoor een zogenoemde ‘swiper’ ontwikkeld: een digitale presentatie die concreet handelingsperspectief aanbiedt voor het meekoppelen met zowel klimaatadaptatie als de energietransitie. De presentatie leidde tot diverse concrete vervolgacties: een handreiking voor het combineren van zonnepanelen met water en groen op daken en een vervolgonderzoek naar duurzame bronnen voor koeling van de gebouwde omgeving. Met betrekking tot dat laatste werd ook gekeken hoe de uitkomsten van dat onderzoek een plek kunnen krijgen in de Regionale Energiestrategieën.

5.5.3 Stimuleren en faciliteren

Aanvragen Impulsregeling

In 2021 heeft ruim de helft van de 45 werkregio’s een eerste officiële aanvraag voor de Impulsregeling Klimaatadaptatie ingediend (zie 5.1). Dankzij de regeling worden er op werkregio-niveau maatregelen ontworpen. De implementatie van deze maatregelen wordt echter wel per gemeente uitgevoerd. De impulsregeling wordt vaak gebruikt om de klimaatadaptatie-opgave mee te kunnen koppelen met andere projecten. De werkregio’s geven aan er last van te hebben dat de aanpak van hittestress en soms ook de groenmaatregelen niet gefinancierd kunnen worden uit de impulsregeling, evenals middelen voor de sociale doelen en de proceskosten van klimaatadaptatie. Hierbij wordt de vergelijking gemaakt met regelingen voor de energie­transitie, die daarvoor meer mogelijkheden bieden. Ook wordt het belang van het bewaken van samenhang tussen de uitvoering van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en het Deltaplan Zoetwater genoemd.

5.5.4 Reguleren en borgen

Op het gebied van reguleren en borgen is er op veel plekken ontwikkeling gaande. Hemelwaterverordeningen bij nieuwbouw worden steeds normaler en in verschillende regio’s is een bouwconvenant gesloten waarvan het onder­werp klimaatadaptatie deel uitmaakt. Veel gemeenten en private partijen ervaren de vrijblijvendheid hiervan in toenemende mate als belemmerend en pleiten voor een meer verplichtend kader voor klimaatadaptatie op rijksniveau. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door de eerdergenoemde maatlat voor klimaatadaptief bouwen. Verschillende provincies hebben op verordeningsniveau aandacht voor klimaatadaptatie verplicht gesteld voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. De provincie Zuid-Holland bijvoorbeeld heeft klimaatadaptatie geborgd als één van de relevante aspecten in het eigen duurzame inkoopbeleid.

OSKA

Door provincies en het Overleg Standaarden Klimaat­adaptatie (OSKA) wordt gewezen op het belang van standaardisering en voldoende kwaliteit. Binnen het platform OSKA werkt het Rijk er samen met het bedrijfs­leven, collega-overheden en ‘standaardisatie-organisaties’ aan dat klimaatadaptatie wordt meegenomen in bepaalde standaarden. Dat kunnen bijvoorbeeld praktijkrichtlijnen zijn of technische normen voor het ontwerp van gebouwen, installaties en voorzieningen in de openbare ruimte. In totaal gaat het alleen al voor de gebouwde omgeving om ongeveer 250 standaarden.

Een voorbeeld van hoe klimaatadaptatie wordt meegenomen in standaarden is de OSKA-intentieverklaring ‘koeling gebouwen’, die ervoor zorgt dat woningen leefbaar en koel blijven, ook tijdens hittegolven en zonder gebruik van airco’s. Een tweede voorbeeld zijn afspraken over de aanleg en de prestatie van maatregelen voor infiltratie van hemelwater, zoals wadi’s of infiltrerende bestrating.

Het is belangrijk om de voor standaardisering benodigde basisdata up to date te houden. Op een aantal onderwerpen ontbreken essentiële datasets of is de periodieke updatebaarheid niet gegarandeerd. Dit kan een probleem opleveren in het kader van het cyclisch uitvoeren van stresstesten en vraagt ook weer om nationale regie.

5.5.5 Handelen bij calamiteiten

Op dit onderdeel zijn voor deze rapportage geen ontwikkelingen te melden. Het onderwerp heeft de volle aandacht van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater. Zie paragraaf 2.3.

5.5.6 Vitale en kwetsbare functies en de IenW-netwerken

Vitale en kwetsbare processen

Nederland kent een veelvoud aan vitale en kwetsbare processen die in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust moeten zijn. Deze processen vormen de vitale infrastructuur van Nederland. Uitval of beschadiging van deze processen door overstroming, wateroverlast, droogte of hitte kan leiden tot ernstige gevolgen voor mens, milieu of de economie. Dit kunnen processen in de energievoorziening zijn, maar ook de drinkwatervoorziening, de hoofd­infrastructuur en ziekenhuizen. Er kan sprake zijn van directe schade, maar ook van omvangrijke vervolgschade over lokale en regionale grenzen heen. Die ontstaat doordat vitale en kwetsbare processen onderling van elkaar afhankelijk zijn.
Het Rijk heeft een verantwoordelijkheid om - in samen­werking met decentrale overheden en aanbieders - ervoor te zorgen dat vitale en kwetsbare processen en infrastructuur beter bestand zijn tegen de gevolgen van klimaat­verandering. Eind 2023 legt het Rijk met betrekking tot vitale en kwetsbare processen een realistische ambitie vast op het gebied van beleid en toezicht.

Voortgang klimaatadaptatie vitale en kwetsbare processen

Op het gebied van vitale en kwetsbare processen is het totaalbeeld nu grotendeels vergelijkbaar met wat gerapporteerd is in het Deltaprogramma 2021. Het is - vanwege de omvang en complexiteit - voor Rijk, regio en aanbieders van de vitale processen niet eenvoudig om een goed overzicht te krijgen van de weerbaarheid van vitale en kwetsbare processen, de bijbehorende infrastructuur en de onderlinge afhankelijkheden. Mede hierdoor is het op dit moment moeilijk om ieder jaar een betrouwbaar totaalbeeld te kunnen rapporteren dat meer informatie geeft dan al beschikbaar is. In 2021 is daarom een start gemaakt met het verbeteren van de samenhang en aanpak rondom vitale en kwetsbare processen, zowel op rijksniveau als in de regio. Dit zal de komende periode worden gecontinueerd om zo rollen, verantwoordelijkheden en verwachtingen duidelijker te maken.

Er gebeurt echter wel het nodige rondom het thema vitaal en kwetsbaar. Zo is bijvoorbeeld in het kader van het programma WAVE (Watersnood Aanpak Veiligheidsregio) in 2022 een bovenregionale Impactanalyse Overstromingen uitgevoerd, waarbij gekeken is naar de gevolgen buiten een overstroomd gebied. Daarbij is ook gekeken naar de rol van vitale infrastructuur. De analyse biedt een goede basis om de relatie tussen verschillende indirecte gevolgen beter in beeld te brengen en voor de coördinatie daarvan goede afspraken te maken. Het vervolg is dat de samenwerkingspartners in de SMWO (Stuurgroep Management Watercrises en Overstromingen) gaan werken aan het verbreden van handelingsperspectieven en het verder in beeld brengen van de gevolgen van overstromingen in vijf significante bresscenario’s.

Voortgang klimaatadaptatie IenW-netwerken

Om te komen tot klimaatbestendige netwerken hebben Rijkswaterstaat (RWS) en ProRail in 2021 hun stresstesten en risicodialogen afgerond. De resultaten van de stresstesten zijn verwerkt in de Rijkswaterstaat Klimaateffectatlas. In de eerste versie van de RWS-­uitvoeringsagenda Klimaatbestendige Netwerken wordt beschreven hoe RWS werkt aan klimaatadaptatie. De uitvoeringsagenda en informatie over de klimaateffect­atlas van ProRail zijn op 29 maart 2022 naar de Tweede Kamer gestuurd. Verder wordt er een kader ontwikkeld om de uitvoering van klimaatadaptatie voor de netwerken te verankeren.